zaterdag 29 september 2007

Wollen muts


'Je zult wel trots zijn', zeggen mensen tegen me. En dan hebben ze het over mijn zoon M. die danst in een voorstelling van Hans van Manen. Het lukt me niet om gewoon 'ja' te zeggen. Arme mensen, ze plaatsen argeloos een losse opmerking, verwachten een gewoon antwoord en krijgen dan mijn complexe en gevoelige gedenk over zich heen.

Zoon M. is veertien en danst. En ja, ik ben trots. Zeker als hij in het Hans van Manen festival danst. Of in de Notenkraker. Of in de opening van de Nederlandse Dansdagen. Maar die trots betreft slechts een laagje in mij.

Een andere laag heeft te maken met een M. van veertien. Gewoon M. met wie ik flauwe grappen kan maken, en ruzie over dat hij geen licht op zijn fiets heeft of mopper dat hij te laat aan zijn huiswerk begint. Trots omdat hij mijn zoon is. Trots om de dagelijkse dingen.

Nog weer een andere laag is bezorgd. Omdat hij altijd moe is. Om zijn volle rooster. En omdat hij steeds weer verder moet. En zijn grenzen blijft verleggen. En veel te weinig lummeltijd heeft. Hij heeft niets aan die bezorgdheid, dus ik houd mijn mond.

En deze laag is de ingewikkeldste. Mijn zoon M. staat op het podium van het Muziektheater zijn vak uit te oefenen en daarmee hoort hij niet meer bij mij. Niet een beetje niet. Nee, helemaal niet. Dat is de rottigste. Kan ik bijna niet uitleggen. Hij is veertien en heeft een zelfstandig vak, waar ik niets mee te maken heb. Gadverdamme. Het is me gewoon te professioneel. En te vroeg.

In de pauze dwaal ik alleen langs het koffiedrinkende publiek door de wandelgangen van het Muziektheater. Had ik maar een grote wollen lelijke muts op mijn hoofd met 'Moeder van M' erop. M. zou zich rot schamen. Ik niet. Ik wil dat iedereen het weet.

En daarmee ben ik toch beland bij een eenvoudig antwoord. Want dat ik zonder schaamte met zo'n muts door het Muziektheater zou willen lopen, zegt eigenlijk wel genoeg. Ja natuurlijk ben ik trots. Wat dacht je? Duhuh.

vrijdag 21 september 2007

Lichtheid

"Licht leven, daar is moed voor nodig. Omdat lichtheid vaak verward wordt met oppervlakkigheid."

Peter Blok in een interview, dat ik toevallig deze week onder ogen krijg. Zijn woorden huppelen al de hele week met me mee, zitten achter op de fiets, gaan mee de supermarkt in, kruipen achter mijn bureau, staan achter het fornuis.

Wow. Iemand die voor lichtheid opkomt. Dat tilt op.

donderdag 13 september 2007

Niet autobiografisch

Tijdens het opruimen stuik ik op iets wat ik schreef in 1991. Keurig uitgetypt. De enige zin die ik hieruit zou willen bewaren is: Woorden maken de dingen vaak erg rommelig. Dat vind ik een leuke zin. De rest kan worden weggegooid wat mij betreft. Maar omdat het tekstje zestien jaar lang geduldig heeft liggen wachten op publicatie, krijgt het een kans. (Ik heb trouwens helemaal nooit een relatie gehad met iemand uit Afghanistan.) Hupsakee.

"Ik heb eens een relatie gehad met een man uit Afghanistan. Hij sprak niet zo goed Nederlands en ik niet zo goed Arabisch. Eerst was dat geen probleem, ik bedoel, liefde is toch iets fysieks en lijkt zelfs soms makkelijker zonder woorden. Woorden maken de dingen vaak erg rommelig. Bovendien kan je nog opvallend veel duidelijk maken zonder enige tekst. We hielden dus van elkaar. Zonder ook maar een woord te spreken.
Maar toen begon ik ze te missen. Hij was echt wel dol op mij, maar het was een mij zonder woorden.
Ik wilde hem soms toeschreeuwen: 'Ik heb nog een kant die dol is op discussieren en argumenteren; dat is mijn woordkant!" Maar ik kon dat helemaal niet gebruiken, die woordkant, en het begon te voelen alsof er van mij gehouden werd om de verkeerde redenen. Omdat hij de helft van mij niet kende.
En toen, op een middag, we zaten te zwijgen aan de keukentafel, en ik keek naar hem en besefte dat ik zijn woordkant ook miste. Opeens leek de relatie helemaal onvolmaakt. Twee woordloze helften. De helft van een peer geplakt aan de helft van een appel. Ja, een zoete combinatie. Maar onmogelijk. Het werkt niet.
Ik heb het uitgemaakt. Dat kan je best duidelijk maken zonder woorden. Heel gemakkelijk zelfs. Hij was boos op me. In het Arabisch."

woensdag 12 september 2007

Twinny What?

Vandaag ontving ik een email van de KRO. Met de mededeling dat ik een Twinny Load had gewonnen. Met een stukje over mijn Kip Caravan.

Het ging zo. Van de zomer wilde ik een oude caravan aanschaffen als extra logeerkamer bij mijn vakantiehuisje. Ik googelde 'caravan' en kwam per ongeluk op de site van de columnwedstrijd van de KRO terecht. Vervolgens kocht ik via Marktplaats mijn gloednieuwe oldtimer Kip Kemphaan en schreef daar op deze blog een nogal sentimenteel stukje over.

De columnwedstrijd van de KRO schoot me weer te binnen en ik stuurde impulsief mijn bijdrage in.
Totaal vergeten. En nu twee maanden later een prijs. Hier volgt een stukje uit het juryrapport:
Pijnlijk nostalgisch. Soms een te, maar raakt wel de toon van weemoed en voorbije tijden.”

So far, so good.

Maar kan iemand mij vertellen wat een Twinny Load is?

vrijdag 7 september 2007

Windjack


In welke woorden en beelden zou ik Nederland anno 2007 vangen? Sinds ik Dit boek redt je leven las, spookt die vraag door mijn hoofd.

En steeds moet ik denken aan een echtpaar dat precies hetzelfde windjack draagt. Hij met bierbuik en dus een maatje groter. Zij met kuitbroek en van dat korte, praktische, vrolijk gekleurde haar. Dat spookbeeld laat me niet meer los. Dat krijg je als je de hele zomer in Nederland blijft. Dan zie je teveel van dit soort echtparen. Ze hebben dezelfde fiets. Ze zitten op terrasjes samen over hetzelfde te zwijgen. Maar gelukkig hebben ze dat 'ons-kan-niks-gebeuren-windjack'.

Praktisch. Degelijk. Tegen weer en wind. Gaat een leven lang mee. Is dat Nederland?

De schrijfsters A.M. Homes vangt Amerika anno 2007 in symbolen, die er vaak dik bovenop liggen.

Gat onder het huis?
De hoofdpersoon wordt gedwongen te verhuizen.

Vrouw in een rood badpak?
De hoofdpersoon verlangt naar vrijheid.

Achter glas en in auto's?
De hoofdpersoon leidt een geisoleerd leven.
enzovoort enzovoort enzovoort enzovoort

Het druipt ervanaf, maar gaat toch niet irriteren. Hoe doet die A.M. Homes dat? En is ze werkelijk zo bloedmooi als de foto op de achterflap suggereert? Lezen dat boek!

donderdag 6 september 2007

Flauwekul

Gaan we weer. Grootouders. Al meer dan 60 jaar dood. Maar ze blijven de laatste tijd aan me hangen, kleven. Dwars door de tijd heen, zeuren ze aan mijn hoofd. Ik moet en ik zal over hen schrijven. (Dat doet me denken aan de Spin Sebastiaan. Hij zei tot alle and're spinnen: Vreemd, ik weet niet wat ik heb, maar ik krijg zo'n drang van binnen tot het weven van een web)

Zaterdag 1 september 2007. Ik heb een afspraak met mijn achternichtje S., dochter van mijn neef H. Goed gesprek, we springen behendig van de hak op de tak, gedeelde genen, herkenbare humor, gemeenschappelijke gedachtenkronkels. Snel hoofd. Lacht hard en hartelijk en vaak. Ik daardoor ook. We vinden het leuk dat wij elkaar onlangs hebben leren kennen. We besnuffelen het fenomeen familie. Wat is dat? Hoe komt het dat je op elkaar lijkt? Dat je je op je gemak voelt? Dat je snel tot de kern kan komen? Het onderwerp interesseert haar. Mij ook. We dompelen ons onder in het drukke Bazaar aan de Albert Cuyp.

"Hoe ziet ze eruit? vraagt mijn moeder een dag later. Ik vertelde dat ik haar gisteren zag.
"Klein, krulletjes", zo vat ik haar samen. "Een beetje joods," hoor ik mezelf zeggen. "Ze zou het mollige zusje van Arnon Grunberg kunnen zijn", voeg ik er plagerig aan toe.
"Flauwekul", zegt mijn moeder afwerend. "Wil je nog koffie?"

Joods. Het is een terugkerend onderwerp in de familie. En dat komt door de meisjesnaam van mijn grootmoeder. Zij heet namelijk Christina Catharina Schaap. En Schaap is een joodse naam. Maar ja, is een naam altijd joods, vraag ik me af? Er zullen toch ook wel niet-joodse 'Schapen' zijn? Het is geen naam als 'Cohen', bijvoorbeeld. Of zijn er ook niet-joden die Cohen heten? Ach, ik weet er te weinig van.

Een aantal neven en nichten beweert bij hoog en bij laag dat wij joods zijn. De naam Schaap is bewijs genoeg, vinden ze. Denk maar aan de juwelier Schaap & Citroen, voegen ze dan toe - om hun punt te onderbouwen. Joods-zijn gaat van moeder op moeder, dus wij zijn ook joods, klaar uit, concluderen ze dan snel.

Toen me dit voor het eerst verteld werd, wist ik niet wat ik hoorde. Ik joods? Half-joods? Ik moest en zou hier meer van weten en onderwierp mijn moeder aan een kruisverhoor. Zij is ten slotte de directe dochter van deze Cato Schaap. De laatste dochter die nog leeft.
"Ach, flauwekul", zei mijn moeder.
Dat zegt ze snel en vaak bijvoorbaat, dus daar ging ik niet helemaal in mee. Ik vroeg door. Ik zag haar nadenken. Tot ze het ultieme argument vond om te bewijzen dat haar moeder niet joods was (en zij niet en ik dus ook niet en mijn neven en nichten al helemaal niet).

"Oom Hendrik uit Zutphen was een broer van mijn moeder. En die was hartstikke fout in de oorlog." Ze kijkt me triomfantelijk aan.
"Nou en?", vraag ik.
"Een jood is toch geen NSB'er?" Dat bedoelt ze duidelijk niet als vraag. Het is eerder een soort onontkoombare oorlogs-logica.

Kan je joods zijn en fout in de oorlog? In de optiek van mijn moeder niet, nee. Waren er joden die lid werden van de NSB als dekmantel? Of wist deze oom-Hendrik-uit-Zutphen zelf ook niet dat hij joods was? Net zoals wij dat nu niet weten? Veel vragen, geen antwoorden.

Ik was het eigenlijk weer vergeten. Ik had het afgedaan als een onbelangrijk vraagstuk. Want, stel dat ik wel half-joods blijk te zijn. Stel dat ik daarvoor uit archieven een bewijs weet op te graven. Maakt mij dat tot een interessanter persoon? Is mijn leven dan beter? Leuker? Tragischer? Verandert het iets? Wil ik me dan opeens in Israel vestigen? Nou, nee.

Flauwekul, zou mijn moeder zeggen. En ergens heeft ze gelijk. Of niet?

Moet ik het toch eens over hebben met mijn 'joodse' achternichtje S. Eens horen wat haar vroeger thuis verteld is. Ik ben nog niet klaar met die grootouders. Wordt zeer waarschijnlijk vervolgd.

zaterdag 1 september 2007

Hart met mening

Je kunt van iets houden zonder dat je het weet. Soms zonder dat je het door hebt, blijk je je hart te hebben verpand aan een plek, een ding, een land, een schilderij.

Zo gaf ik een keer een opdracht in een schrijfworkshop: 'Beschrijf een landschap dat je niet mooi vindt, zonder dat je het woord 'mooi' of 'lelijk' gebruikt'. (Ik schreef zelf een venijnig stukje over Toscane, een landschap dat mij uitermate verveelt. Dat glooit maar door van de ene Renaissance toren naar het andere Middeleeuwse dorpsplein en niets dat eens lekker detoneert, behalve misschien de Italianen zelf op hun knetterende scooters, immer goedgekleed en zelfvoldaan. En dan dat gedweep met de Italiaanse keuken. Pasta, kindereten.)

Een deelnemer wilde zijn stukje wel voorlezen. Ik herinner me het niet letterlijk, maar het ging over Corsica. Dat weet ik nog heel goed. Vond hij een verdord, grauw eiland zonder enig groen, met alleen maar grijstinten, kale rotsen, steen. Er was niets te beleven en de mensen waren onaardig. De keuken was vies en vet. En er waaide altijd mistral. Monotoon ging hij door, maar ik haakte af. Ik kon niet anders.

Corsica! Grijs? Grauw? Verdord? Een stem in mij begon tegen te stribbelen. Eerst zachtjes, maar steeds luider en luider. En het parelmoer van de Middellandse Zee dan die vroeg in de ochtend aan zijn dag begint? En het kleine, mondaine Ajaccio? En de bedwelmende geuren van de maquis? En stinkt er iets zo verleidelijk als Corsicaanse schapenkaas? Het treintje dwars door het eiland? Het geboortehuis van Napoleon? En Bonifacio, waar de doden het mooiste uitzicht krijgen?

Ik hield me koest want deze man had recht op zijn mening. Maar van binnen schreeuwde het. Mijn hart ging zo heftig te keer dat ik me moest verontschuldigen. Op het toilet herstelde ik enigszins, waarna ik zo professioneel (afstandelijk en objectief) mogelijk commentaar leverde op zijn tekst. Intussen van binnen diep gekwetst omdat hij mijn Corsica zo door het slijk had gehaald. Corsica bleek in mijn hart verankerd te zitten, leerde ik. En de mening van iemand anders kon ik daar niet bij hebben.

Zo was het ook toen ik me op www.verwijl.nl begaf in een discussie over het schilderij 'Het meisje met de parel' van Vermeer. Het blijkt ooit door het volk gekozen te zijn tot Nederlands' mooiste schilderij. Wat had dat te betekenen, dit soort volkstellingen? En was het niet onnozel om met zijn allen hetzelfde schilderij te bewonderen? Konden mensen niet zelf hun mening bepalen?

Ik kon het niet helpen. Daar gebeurde het weer. Mijn innerlijke stem begon te jengelen, te stribbelen, te dreinen. Eerst zachtjes, maar langzaamaan luider en luider. Mijn hart ging sneller kloppen. Blijf met je tengels van Vermeer af, wilde ik schreeuwen. Dat is familie. De meisjes van Vermeer... dat zijn mijn zusters. Verwanten. Ga daar niet intellectueel over lopen doen, alsjeblieft. Niet hautain. Gewoon niet. Blijf met je poten van al zijn schilderijen af.

Door de verbetenheid waarmee ik me kortstondig in de discussie mengde, wist ik het zeker. Mijn hart heeft soms een mening. Of mijn mening een hart. En daar kan ik dan niet omheen.