woensdag 28 mei 2008

Boeken genoeg

Al jaren sleep ik als een marmot boeken naar mijn hol. Zeker eens in de maand geef ik teveel geld uit in de boekwinkel. Of bestel ik impulsief iets lekkers bij bol.com.

Maar ik ben aan het veranderen. Zo herlas ik onlangs Turks Fruit.

Wisten jullie dat Turks Fruit een boek is zonder alinea's? Dat een stuk of zestien hoofdstukken de enige houvast voor de lezer zijn? Dat het op die manier een prachtige verbeelding is van de staat waarin de hoofdpersoon verkeert? Het maakt het tot een boos, warrig, verdrietig boek. (Eigenlijk een toneelmonoloog. Dat lijkt me sowieso een stuk aantrekkelijker dan Turks Fruit, de musical. Brrr.)

Nou ja, dit soort observaties had ik niet, toen ik zestien was en dit boek voor het eerst las. Wie wel? We sprongen van van tiet naar lul naar kont. Een ander soort genieten, zeg maar.

Het grote herlezen is dus begonnen. Weggooien wat de moeite van het herlezen niet waard is, totdat er een klein stapeltje boeken overblijft waarmee ik oud kan worden. Of naar een onbewoond eiland verhuizen, dat kan ook. En daar oud worden.

maandag 26 mei 2008

Het echte werk

'Ik denk dat het zover is. De baby komt eraan', piep ik.
De co-assistente kijkt aarzelend naar de klok. Het is bijna half elf. Het zou na middernacht worden, had de gynaecoloog voorspeld. Ik zie dat ze niet van plan is iets te doen. Maar dit is geen drol. Dit is een kind.
'Je bent een lief meisje, hoor,' zeg ik poeslief, maar o zo dwingend. 'Maar ga nu de echte dokter er maar even bij halen.'
Ze staat op. Ik heb haar beledigd. Ik schaam me dood, maar het lijkt de enige manier om haar in beweging te krijgen.

Geen geluiden dringen door in de kamer, het lijkt alsof ik altijd in deze gedempte kamer zal moeten blijven, samen met A. en die enorme buik, waar altijd een baby in zal blijven zwemmen, waar nooit een einde aan komt, ik zou niet weten hoe deze baby eruit moet, trouwens, waarom moet dat eigenlijk, wie zegt me dat er een baby in zit, niemand weet wat er in die buik zit, laat maar lekker zweven, onder water, blijf maar lekker bij me, stil drijven, diep, stil…

De deur zwaait open. Het volle licht gaat aan. Een dikke verpleegster doet de ramen dicht. De deur zwaait nog een keer open. Energiek stapt nu de knappe gynaecoloog binnen. Mijn vliezen breken prompt. A. staat aan mijn voeteneind en krijgt zeker vijf liter vruchtwater over zich heen. Ik voel de baby een meter zakken. Hij is klaar om te landen. Iedereen schatert het uit.

'Zo, dat is gezellig hier', schreeuwt de knappe gynaecoloog. Waarom praat hij niet normaal? Ik wil niet. Ik wil in dat stille cocon van schemer, open raam, zomerbriesje, weeën opvangen. Ik wil niet persen. Ik vind het eng. Bij de eerste deed ik er zo lang over, stel dat het nu…

'Tien centimeter ontsluiting', blert de knappe gynaecoloog enthousiast. 'We gaan persen. Over een uurtje heb je een baby.'
'Ik durf niet', huil ik. 'Mijn vorige kind, daar heb ik vijf uur op geperst en….' Ik val en tuimel weg. Weg van hier. Vijf uur persen en toen had ik nog geen baby. Ik moet dat deze mensen vertellen. Het is belangrijk dat ze dat weten. Het is van levensbelang. Duizelig kijk ik ze aan. Ik kom niet uit mijn woorden.

Opeens hangt er een dik gezicht voor me. Bolle groene ogen kijken me dwingend aan. De dikke verpleegster. 'Dat was de vorige baby', zegt ze streng. 'Maar nu ben je hier. In Amsterdam. Op 23 mei. Persen nu! En niets anders.'

'Jaha', piep ik onderdanig en ik kan haar wel omhelzen.

De knappe gynaecoloog en de strenge verpleegster schreeuwen bevel na bevel. Ik moet persen. Ik moet mijn adem inhouden. Ik moet meedoen met de wee. O nee, juist niet. Ik word als een kogel door het bed geschoten door de krachten in mijn buik. Dit zijn persweeën! Wow! Ik ben wakker. Sterk. Energiek.
Maar ik geloof het niet.
'Wordt het al bijna geboren?' vraag ik met een ijl stemmetje. Iedereen lacht. De knapperd lacht zijn tanden bloot. De strenge dikkerd aait over mijn hoofd.

'Nog één wee', belooft ze.

Het hoofdje staat. Zo heet dat in jargon, als het hoofdje klaar is om geboren te worden. Dat doet zo'n verschrikkelijke pijn, omdat het eigenlijk niet kan. Ik ben een wond die opgerekt wordt om de een of andere reden. Waar dat goed voor is, weet ik niet. Dit moet niet verder gaan, want dan splijt ik in tweeën. Dan maak ik een geluid dat ik nog nooit eerder van mezelf hoorde. Het doet Louis Armstrong verbleken. Een grom. Een grauw. De aanhoudende huil van een wolvenmoeder. When the saints go marching in. En daar schiet de baby naar buiten. Dit kind heeft zin om te leven. Het is een jongetje. Ik val terug in de kussens. Yeah. The saints go marching in.

'Hoe gaat die heten?', vraagt de verpleegster, die ik scherp in de gaten houd, omdat ze er misschien zometeen met mijn baby vandoor gaat. Ze is trouwens helemaal niet zo dik. En ook niet streng.

M. We noemen hem M. Man en ik weten het zeker. Ha! Man is terug in beeld.

'Dat is toch een meisjesnaam?' vraagt de gynaecoloog terwijl hij de nageboorte opvangt en mij hecht.
Wat een lul. Het is gewoon een schreeuwerige corpsbal.
Hoezo knappe gynaecoloog? Laat die praatjesmaker van me afblijven. Die nageboorte komt vanzelf wel en die hechtingen zijn ook niet nodig.

Ik begin weer een beetje te lijken op de Jeanet die ik ken.
Het is waar gebeurd. Echt waar.

vrijdag 23 mei 2008

Kerstverhaal in mei


M., mijn jongste zoon, is vandaag jarig. Hij is vijftien. Hij heeft puistjes. Een beugel. En heel kortgeschoren haar. Een lange slungel, lange dunne benen, mannelijke kaken, ontvouwende schouders.

Ik ga terug in de tijd.

Tien jaar geleden in de kleuterklas van Meester Lucas. De Pinksterbloem, Vierde Montessorischool, Weesperzijde, Amsterdam. Een trotse feesthoed op M's blonde krullen, achter de feesttafel, met vijf feestkaarsjes. Ik was er ook, want het nieuws over de grote Meester-Lucas-verjaardagsvertelling had mij inmiddels bereikt. Mede-moeders hadden me op het hart gedrukt dat ik dat voor geen goud zou willen missen.

Meester Lucas begint: 'Op een dag….'
Hij onderbreekt zichzelf.
'Was het zonnig of regende het die dag, mama van M.?'
'Het was warm', antwoord ik. 'Heel mooi weer.'
'Op een hele mooie warme dag in mei, zat M. in de buik van zijn moeder. Hij had er schoon genoeg van, want die buik was te klein en hij was nieuwsgierig hoe zijn moeder eruit zag, natuurlijk.'

Ik zit aan mijn stoel genageld. Net als de kleutertjes. Ik steek nog net mijn duim niet in mijn mond. Waar gaat dat heen?

'Was het in het ziekenhuis of thuis?'
"In het ziekenhuis', zeg ik. Nu moet hij niet nog meer vragen gaan stellen, want de tranen kruipen omhoog.
'De mama van M. ging naar het ziekenhuis en daar floepte toen een baby uit.'
'Floep!' schreeuwt de klas.
'En ze noemden hem M.….'
'Ludo' roept M. vrolijk vanonder zijn hoed. Want hij weet de volgende vraag al, namelijk of hij nog meer namen heeft.
'M. Ludo ging eten en groeien en kruipen en praten en toen vierden ze M's eerste verjaardag. En daarom mag M.een kaarsje aansteken. Wie wil hem helpen?'

Zo doorliep Meester Lucas stap voor stap het korte levensverhaal van mijn kleine M, tot alle vijf kaarsjes brandden. Die dag speelde M. de hoofdrol in dit kerstverhaal. Morgen was het Anna, Abel of Jac. Steeds hetzelfde verhaal. Steeds een andere hoofdrolspeler en een kleine verschuiving in details. Floep.

En daarom luisterden we ademloos.
En daarom waren alle moeders heimelijk een beetje verliefd op Meester Lucas.

Deze meester begreep de rituele kracht van het verhaal. Het is het algemene geboorteverhaal. Het is Walt Disney. Het is het kerstverhaal. Het verhaal over het stalletje in Bethlehem. Maar ook over het OLVG ziekenhuis in Amsterdam - Oost. Het is het verhaal van hoe we ter wereld komen, allemaal wie we ook zijn.

Alleen hebben moeders in dit kleutersprookje geen weeën.

dinsdag 6 mei 2008

Ontmoeting

Iedere dag lopen Brom en ik ons wandelingetje langs de Weesperzijde.

Een moeder loopt ons tegemoet met haar dochtertje aan de hand. Het peutertje begint naar Brom te wijzen en vreemde klanken uit te kramen. Ze staat opgewonden te wiebelen op haar teentjes.

'Ja, dat is een hond, he?' verstaat de moeder.

Het meisje houdt stil en doet haar handjes voor haar gezicht. Kiekeboe, daar is ze weer. Brom trekt zich niets van haar spelletjes aan en doet intussen een onverschillige plas tegen een paal. Het meisje schatert het uit. Alsof hij dit speciaal voor haar bedacht.

'Mag ze hem aaien?' vraagt de moeder aan mij.
Ja, dat mag.

Zorgzaam beweegt het meisje haar mollige handje over Broms ruwe haren. Ze is verrukt. Ze is een en al bewondering. Dit is pure liefde. Ze straalt ervan.

Brom niet. Brom nooit. Die blijft onder alle omstandigheden zijn eigen stoïcijnse zelf. Op naar de volgende boom. Kind. Boom. Hond. Eend. Het is Brom om het even.

Ik vind dat leuk aan Brom. Hij is geen slijmerige allemansvriend. Nee, de slijmbal, dat ben ik. Want voor ik het weet en ondanks mijzelf, lach ik verontschuldigend naar de moeder. Zoveel onverschilligheid, rare hond. Zou je hem niet.

We lopen door. Brom is de ontmoeting allang vergeten. Maar ik niet.

Van wie kan ik nou eigenlijk meer leren? Van Brom? Of van de peuter? Wie het weet, mag het zeggen.

maandag 5 mei 2008

Nepklussen

Ikea. De afgelopen week ben ik er drie keer geweest. Ik hou van die winkel. Dat is niet bon ton. Het is bon ton om op Ikea te mopperen.

Altijd een schroefje te weinig - zeur, zucht - is zo'n veelgehoorde klacht.

Helemaal niet waar! Ik heb onlangs vijf bureaus en een boekenkast in elkaar gezet. En in ieder pakket zaten precies, maar dan ook precies, genoeg schroefjes. En o ja, het pakket voor de tafel, die nu in mijn keuken staat te glimmen, bevatte ook exact het juiste aantal bouten en moeren om hem binnen een half uur om te toveren tot een gladde, witte, ovalen eettafel.

Eigenlijk levert Ikea een soort Sinterklaas-surprises. Het ladenkastje uit de winkel komt als een plat pakketje uit het magazijn. Thuis mag je je cadeautje uitpakken. Om te voorkomen dat je voor straf mee naar Zweden moet, is het advies om precies te doen wat het begeleidende gedicht voorschrijft. Dat is de handleiding, die met heldere plaatjes is geïllustreerd. Gegarandeerd heb je na een kwartier je eigen kantoor-ladenkastje.

Je krijgt het cadeau, maar je moet er nog wel wat voor doen. Een soort calvinistisch nepklussen. Met schone handen. Zonder gezoek naar de schroevendraaier. Heerlijk.