donderdag 19 maart 2009

Ijspret (20)




Bungelen. Een herinnering.

Ik ben acht jaar. We zijn op wintersport in Serfaus. We zijn hier gekomen met de slaaptrein. Nu logeren we in Pension Edelweiss. Dat pension heeft hele grote witte dekbedden, waar ik 's ochtends altijd op spring, voordat iedereen wakker is. We eten doorzichtige soep met plakjes gebakken ei. Tot nu toe ski ik op de 'Idiotenhügel', de heuveltjes in het dorp, maar vandaag mag ik mee naar boven, naar Kölner Haus. Met de stoeltjeslift. Voor het eerst! De skileraar heeft een paar kinderen uit mijn klas aangewezen. We zullen een echte afdaling gaan maken. Ik ben trots. Papa en mama brengen me weg. Ik klets de oren van hun hoofd.

Het stoeltje wordt onder mijn billen geschoven, ik zit, en hup, daar zwiep ik de lucht in. Nu moet ik de stang naar voren trekken, de bovenstang voor mijn buik, en de onderstang voor mijn ski's. Dat heb ik de anderen zien doen. Maar wat ik ook probeer, ik krijg die stang niet in beweging. Wat is dit nou? Niet vallen. Mijn ski's zijn zwaar, ik kan niet goed zitten op deze manier, ik kijk naar beneden. Niet vallen. Ik wiebel op mijn stoeltje en blijf maar rukken en trekken aan die stang.

Mijn rode puntmuts valt.

Onder me zie ik rotsen. Achter me hoor ik de stem van de skileraar. Hij roept me. Ik moet achterom kijken, maar dat durf ik niet, ik zal eraf glijden, mijn ski's zijn zwaar, ze hangen daar maar wat aan mijn schoenen te hangen. Niet vallen, niet vallen, niet vallen. Ik kijk om. 'Omhoog', gilt hij en hij doet het voor. Ik draai me terug en trek de stang eerst omhoog en dan pas naar me toe. Ik zet mijn ski's neer.

Ik word stil en schemerig. Een dikke lading witte sneeuw ligt op de donkere dennen. Zwarte, puntige rotsen onder mij. Er is niemand. Nu niet. Alleen sporen van mensen en dieren van toen. De lift ratelt en wiebelt, iedere keer als hij langs een paal komt. Ik knijp hard in de stang. Kijk mij nou door de bergen glijden. Maar, mijn muts ligt daar. 'Kabouter', zegt papa. Ik vlieg door de ijle lucht. Het is een wollen muts, met een lange staart. Rood. Een koude vogel ben ik. Met houten ski's. En bevroren oren.

Terug in het dorp (met kabelbaan, waarom namen we die niet op de heenweg, vraag ik me veertig jaar later af?) zie ik aan het gezicht van papa en mama dat ze hartstikke ongerust waren. Hierdoor kan ik zelf ontdooien. Pas dan. Eindelijk. We gaan met z'n allen een grote sorbet halen. Onze wangen worden roder en roder. Onze stemmen hard en harder. We vertellen elkaar lachend het verhaal. Opnieuw en opnieuw. Hoe eng het was, en hoe goed het afliep.

De skileraar gaat diezelfde avond nog op zoek naar mijn muts. Dat is superaardig van hem, maar hij vindt hem niet.

woensdag 18 maart 2009

Bungelen

Ik surf langs Buuv.nl en stuit op dit stukje. Het begint eenvoudig (over een naar incident in een skilift in Noorwegen) en eindigt ingewikkeld (over empirisme en rationalisme en de kunst van het kijken).

Buuv laat de lezer vervolgens eenzaam bungelend achter (wel passend in dit geval), want uiteindelijk willen we gewoon weten of het meisje dat uit de skilift gleed het wel of niet overleefde. Dat is niet omdat we nou zo vreselijk sensatiebelust zijn, maar omdat verhalen zo werken. Maar die afloop krijgen we niet van haar. Buuv slaat een andere weg in, ze gaat aan het filosoferen.

En daar hangen we dan. In deze toestand kan ik me maar moeilijk concentreren op filosofie. Eerst wil ik weten hoe het afloopt. (Of horen dat de schrijver dat ook niet weet, dat kan natuurlijk ook.) We willen wel even bungelen, maar niet te lang - en alleen ten dienste van een plot. Pas dan kunnen we meedenken over de kunst van het schrijven, kijken of filosoferen.

Of is dit mijn eigen beperking, die ik nu verhef tot algemeen geldende literaire wet?

En dit leidde trouwens als vanzelf bij mij tot Ijspret (20).

Oud Liedje

MEISJES VAN VERMEER

Zij leest al eeuwen dezelfde brief,
van haar voorgoed verdwenen lief
holle woorden, lege zinnen
het verlangen knaagt van binnen
Hollands licht; het open raam
alleen - niet eenzaam

Mooie meisjes van Vermeer
In verf en doek gevangen
Eeuwen slijten het verdriet
Maar heimwee niet, maar heimwee niet

Hoor haar piano zwijgen
klanken die de tijd ontstijgen
liedjes dwars door schilderslinnen
zo komt het verlangen binnen
tegenlicht; het open raam
aleen - niet eenzaam

Mooie meisjes van Vermeer
In verf en doek gevangen
Eeuwen slijten het verdriet
Maar heimwee niet, maar heimwee niet

Hé ijdeltuit, die wikt en weegt
ik weet precies wat jou beweegt
je parels, je spiegel, je lach
je schrijft aan je lief dat je wacht
en altijd dat licht en dat open raam
alleen - niet eenzaam

Mooie meisjes van Vermeer
In verf en doek gevangen
Eeuwen slijten het verdriet
Maar heimwee niet, maar heimwee niet

jvo 2002

dinsdag 17 maart 2009

Lege Schalen

Ramsey Nasr, nieuwe dichter des Vaderlands, over Vermeer. Over meer.

maandag 16 maart 2009

Hoog Bezoek

Ik ben onrustig.

Ze is in de stad, en ik heb haar nog niet eens gezien. Terwijl ik zo van haar hou!

Dat weet ze ook, en daarom blijft ze geduldig hangen. Ze vindt het helemaal niet moeilijk om te wachten. Daar is zelfs heel goed in. Ze doet eigenlijk niet anders. Wij weten haar te vinden. En anders niet. Dat weegt ze niet eens af. Het interesseert haar gewoonweg niet.

Tot juni is ze in Amsterdam, daarna gaat ze terug naar Washington, maar ik moet nu niet denken dat ik alle tijd heb, nee, ik bezoek haar deze week. Dat ben ik verplicht.

Aan mezelf.
En aan haar.
Meisje, meisje, ik kom eraan!


zaterdag 14 maart 2009

Middelbare meisjes



Ik liep er al een tijdje mee rond. Met Gerrit Komrij.
En ik kan jullie verzekeren, Gerrit Komrij ligt zwaar op de maag.
Met zijn ironie.
Zijn generalisaties over vrouwen.
Zijn meningen over literatuur.
Maar ik wist niet zo goed hoe ik de scherpte van Gerrit Komrij moest pareren.
Ik was nog te pissig, te kwaad, te beledigd - en dat schrijft niet lekker.

En opeens lees ik op andermans weblog, precies het goede pleidooi.
Dank je wel!

vrijdag 13 maart 2009

Overschrijven

Het lijkt monnikenwerk, een stukje uit een boek overschrijven. En dat is het ook.

Gisteren, toen ik een citaat uit De overgave overtikte, voelde ik (weer eens) hoe leerzaam dat eigenlijk is.

Neem een fragment uit een goed boek. Neem een gedicht. Neem een tekst die je mooi vindt. En typ of schrijf die tekst over. Letter voor letter, woord voor woord, komma's, punten, hoofdletters: wees heel precies.

Je leest niet alleen wat de schrijver doet. Je voelt het. Je krijgt de tekst letterlijk 'in de vingers'.

donderdag 12 maart 2009

De overgave (citaat)

Ik weet nog steeds niet zeker wat dat met een mens doet, zoveel verlies. En als ik het niet weet, wie dan wel? Ik weet dat mensen denken dat het me harder heeft gemaakt, maar zo voelt dat helemaal niet. Als je mij bent en je kijkt van binnenuit is het precies andersom: elke nieuwe klap maakt mij weker, kwetsbaarder, en juist de wereld zo veel harder. Zwaarder vooral. Dingen die vroeger luchtig leken krijgen steeds meer gewicht. Je moet je rustig houden om ze nog te kunnen dragen. Misschien bedoelen ze dat. In het begin vervloek je alles en iedereen omdat het zo vreselijk onrechtvaardig is. Waarom jij? Waarom uitgerekend degenen van wie jij zo veel hield? Dat leer je af. Schreeuwen en ontkennen, om je heen slaan en tegen beter weten in proberen vast te houden vraag te veel energie. Er komt een punt waarop je die gewoon niet nog eens opbrengt. Wat je dan nog rest heb je nodig, alleen om door te kunnen zeulen met die hele last. En voor je het weet is blijven ademen belangrijker geworden dan luidkeels protesteren. Moeheid, daar lijkt het nog het meeste op, een intens verlangen om nu eens heel lang heel erg diep te mogen slapen. Wie weet oogt die murwheid als je haar van grote afstand ziet wel als gewenning.
(pag 217, de Overgave)

woensdag 11 maart 2009

De Schrijver en zijn Onderwerp


Toen ik het eenmaal zag, liet het me niet meer los. Het werd een obsessie.

Tijdens het lezen van De overgave klapte ik na ieder hoofdstuk het boek even dicht. Ik moest en zou telkens de buitenkant van het boek bekijken. Daartoe moest ik het boek bijna gewelddadig openklappen met de tekst naar beneden. Want pas dan kon ik de voor -en achterkant naast elkaar leggen.

Rechts (op de voorkant) staat een vrouw afgebeeld met een baby aan haar borst. Zij kijkt scherp in de camera, in haar ogen schittert de ironie, om haar mond een licht spottende lach. En kijk! Kijk nou eens goed naar dae auteursfoto op de achterflap (links). Heeft Japin niet precies diezelfde twinkeling in zijn ogen? Lacht hij niet net zo mild spottend, als de vrouw op de voorkant van zijn boek?

Ze lijken wel familie van elkaar. Ben ik gek geworden? Leken ze altijd al op elkaar? Heeft Japin daarom deze vrouw tot onderwerp van zijn boek gekozen? Zich aangetrokken gevoeld tot deze geschiedenis? Wat is dit voor verbond?

Ik ben blij dat ik het boek uit heb. Het begon een beetje eng te worden.

http://www.arthurjapin.nl

dinsdag 10 maart 2009

Ijspret (19)


En toen kwam de ultieme beloning. Terwijl wij als een stelletje onwennige toeristen de berg afglibberden, zagen we hem. Hij trok zich niets van ons aan, hij was thuis. Langzaam werden we stil. Tot we allemaal naar hem staarden. Een beetje ontdaan.

Vos keek eventjes terug vanuit eenzame hoogte, alsof hij ons wilde geruststellen. Maar ook alsof hij ons duidelijk wilde maken dat we bij hem op zijn berg op bezoek waren en niet andersom.

Berggids Delphine had de tegenwoordigheid van geest om haar camera te pakken en op het juiste moment te klikken. Wow!

maandag 9 maart 2009

Ijspret (18)


Allereerst een dierenspoor in de maagdelijke sneeuw. Juf Delphine wees ons erop. Anders was ik er zo voorbij geschuifeld op mijn 'raquettes'.

Vraag 1. Van welk dier zijn deze sporen?
Vraag 2. En welke kant loopt het beest op?

's Avonds had ik een leuk raadsel bij de kaasfondue. Puberende snowboarders kijken niet goed om zich heen, zeker niet als het diersporen betreft. Ze houden per definitie niet van natuur. En ook niet van stilstaan, trouwens. Zo snel mogelijk die berg af. Duhuh!

Daag uw toehoorders vervolgens uit, om de sprong na te spelen. Succes verzekerd!

Antwrd. 1. De Sneeuwhaas
Antwrd. 2. Hij loopt naar de berg. Voorpoten zet hij achter elkaar neer. Dan trekt hij zijn achterpoten over zichzelf heen, en zet ze naast elkaar in de sneeuw.

vrijdag 6 maart 2009

IJspret (17)

Het was reuze makkelijk, was mij verzekerd. Als je gewoon kon lopen, kon je ook op raquettes lopen. Echt waar. Regel 1: loop als Charlie Chaplin, met je voeten naar buiten. Regel 2: ga altijd recht de helling af, niet schuin.

Dus onthou, straight downhill like a duck. C'est tout. Pfff.

Ik deed mee aan een georganiseerde bergwandeling. We kregen ieder een paar enorme tennisrackets onder de schoenen. Plus een paar skistokken. Met de lift gingen we naar 3000 meter. Vandaar zouden we afdalen naar 2300 meter, terug naar Val Thorens.

Het was inderdaad meestal een fluitje van een cent. Tot de paar stukken echt steile afdalingen. Versteend stond ik boven aan de eerste helling naar beneden te kijken. De hele groep was al daar, behalve ik. J'ai peur, bibberde ik. Of was het 'je suis peur'? What the hell, ik ben bang. I've broken my arm, bibberde ik maar weer eens. I want to go back. Home. Anywhere but here.

Ik was op slag terug op de lagere school. Daar hing ik boven in het wandrek. Er was geen beweging meer in mij te krijgen. Meneer van Oossanen redde mij treetje voor treetje naar beneden. Daar stond ik boven op de springplank, hoog boven het water. Alle leerlingen keken naar mij omhoog. Ik stond vastgenageld. De zwemleraar pakte me bij mijn handen beet en liet me langzaam het water inzakken.

Nu was daar berggids Delphine met haar strenge donkerbruine ogen. Ze pakte me bij de arm en gaf bevelen die ik slaafs opvolgde. Stap voor stap hielp ze me zo naar beneden. Onderaan de helling bedankte ik haar. Zij knikte. Quelle idiote, voelde ik haar denken. Une Hollandaise met hoogtevrees? Pfff. En een arm die net uit het gips is? Pfff. Heb ik dat? Buitenlanders.


Tien minuten later passeerden we een gletsjer, die niet meer helemaal met sneeuw bedekt was. Ik zag glimmend edelsteen. Ik zag fonkelend blauw. Delphine spoorde ons aan om door te stappen op onze raquettes. Maar we hielden de pas in. De gletsjer had de kracht van een magneet. Delphine had even niets meer te vertellen. Wat kon ze ook inbrengen tegen de eeuwigheid? Met open mond staarden we naar het oeroude ijs. Het was stil. Alleen de wind. Welke verhalen had de gletsjer ons te vertellen?

Dit was nog eens ultieme ijspret! Dus hiervoor had ik deze angsten doorstaan op dit belachelijke Chaplin-schoeisel. Er zouden nog meer beloningen volgen, want de bergen zaten vol verrassingen...


met dank aan www.serveerblaadje.nl

donderdag 5 maart 2009

Ijspret (16)


'Nee', zei ik dapper, 'ik blijf wel hier. Ik ga lekker lezen en ik zal iedere ochtend en vooruit, ook iedere avond de stokbroodkruimels opzuigen.' Een weekje wintersport met een arm die zojuist bevrijd is uit het gips. Dat is natuurlijk gekkenwerk. Ik was zo ontzettend bang om te vallen, dat ik de eerste dag het appartement niet durfde te verlaten.

Man liet het daar niet bij zitten. Hij toog met me naar de eerste de beste sportwinkel. 'Quelque chose pour dessous les chaussures', mompelde ik in mijn middelbare-school-Frans, wat betekent dat ik probeer mij in razend tempo allerlei mogelijke woorden te herinneren en die aaneenrijg op meestal beschamend onFranse wijze. Maar de verkoopster begreep het, zeker toen man toevoegde: 'She broke her arm six weeks ago, she has just recovered.'

De verkoopster kwam met sneeuwkettingen aan. Niet voor onder de autobanden, maar voor onder mijn schoenen. Heerlijk! Ik bewoog me als een ervaren bergbewoner door het dorp, heuvel op, heuvel af, sneeuw, ijs. Mijn sneeuwkettingen trotseerden alles, en ik daardoor ook. Totdat ik ergens naar binnenging. Dan werden mijn sneeuwkettingen plotseling levensgevaarlijk. Onhandig schoof ik stapvoets langs de schappen van de supermarkt. Ik gleed de lift in, naar ons appartement. Glibberend stapte ik het cafe binnen, waar ik zulke onverwachte uitglijers maakte, dat ik makkelijk weer een bot kon breken. Ohlala...

Het werd dus zaak zoveel mogelijk tijd buiten door te brengen. De zon brak door. De hemel werd blauw. Het uitzicht bleek adembenemend. De berglucht gezond. Van een huismus veranderde ik in een sneeuwhaas. Een overmoedige sneeuwhaas, dat wel. Waarover later meer.