"De leugen is simpelweg de ideale taal van de ziel, want net zoals wij ons van woorden bedienen - wat op een absurde manier uitgesproken klanken zijn - om onze intiemste en subtielste gemoedsbewegingen en gedachtegangen om te zetten in werkelijke taal, wat noodzakelijkerwijs nooit zal lukken, zo bedienen wij ons van de leugen en de fictie om elkaar te begrijpen, wat met onze eigen, onoverdraagbare waarheid nooit zou kunnen." (260, 1 december 1931)
Boek der Rusteloosheid
donderdag 27 maart 2008
dinsdag 25 maart 2008
Een rillerige pasen
Koorts en televisie: wat een combinatie! Wow!
Ik zag bijvoorbeeld een uitvoering van The Mathew Passion, gespeeld door Engelse muzikanten in dikke truien. Ik wist niet dat ze Engels waren, maar door dat 'Mathew Passion' weer wel. Ik vond ze er trouwens ook heel Engels uitzien. Ze zongen prachtig, maar waarom die gebreide truien? Ik kon er geen artistiek concept achter bedenken. Ik piekerde me suf, maar erbarme dich, wohin, wohin?
Toen zag ik Oprah Winfrey praten over de menopauze. Met zo'n vrouw die er alles van wist, maar zelf nergens aan leed. Nog nooit een zweetaanval gehad, nog geen pukkeltje te bekennen. Plotseling verscheen deze steriele Amerikaanse vrouw in een dikke trui, waardoor ze opeens een stuk menselijker werd. Begon ik een concept te doorgronden?
Memories. Een man had het uitgemaakt met zijn liefje en uit frustratie een flesje parfum in de gracht gegooid. Van Anita Witzier moest hij toen iets nieuws kopen. Hij had daar zelf geen zin in, maar zij dwong hem een parfumerie in. 'Ik weet niet waar ze van houdt', piepte hij, alleszins redelijk, want hij had haar dertig jaar niet gezien. Het meisje van weleer was in de afgelopen dertig jaar gaan lijken op de zangeres zonder de naam, zij nam de parfum beduusd in ontvangst. De 'zangeres' droeg een trui, maar dat zag ik pas de volgende dag. Toen keek ik de herhaling. Niet een hele dikke, maar toch, ja, een trui.
Bij Dr. Phil zat een echtpaar. De vrouw lag 18 uur per dag in bed. Ze deed helemaal niets aan het huishouden en liet haar man alles opknappen. Ze gaf haar man daar ook nog eens de schuld van. Die deed alles, terwijl ze daar helemaal niet om vroeg. Voor straf liet Phil haar de studiovloer dweilen. Niemand droeg verder een trui. Dat was een teken. Wohin? Wohin?
De paus kortte zijn paastoespraak in, vanwege de stromende regen op het St. Pietersplein. Aardig van de paus. Hier sneeuwde het. Althans dat meende ik te zien vanuit mijn bed. Misschien was het de sneeuw in mijn hersenpan. Hoe het ook zij, dat van die dikke gebreide truien begreep ik nu veel beter. Ik zoek een gedicht over sneeuw.
En zo ging dat door, vier warme, rillerige paasdagen lang.
Ik zag bijvoorbeeld een uitvoering van The Mathew Passion, gespeeld door Engelse muzikanten in dikke truien. Ik wist niet dat ze Engels waren, maar door dat 'Mathew Passion' weer wel. Ik vond ze er trouwens ook heel Engels uitzien. Ze zongen prachtig, maar waarom die gebreide truien? Ik kon er geen artistiek concept achter bedenken. Ik piekerde me suf, maar erbarme dich, wohin, wohin?
Toen zag ik Oprah Winfrey praten over de menopauze. Met zo'n vrouw die er alles van wist, maar zelf nergens aan leed. Nog nooit een zweetaanval gehad, nog geen pukkeltje te bekennen. Plotseling verscheen deze steriele Amerikaanse vrouw in een dikke trui, waardoor ze opeens een stuk menselijker werd. Begon ik een concept te doorgronden?
Memories. Een man had het uitgemaakt met zijn liefje en uit frustratie een flesje parfum in de gracht gegooid. Van Anita Witzier moest hij toen iets nieuws kopen. Hij had daar zelf geen zin in, maar zij dwong hem een parfumerie in. 'Ik weet niet waar ze van houdt', piepte hij, alleszins redelijk, want hij had haar dertig jaar niet gezien. Het meisje van weleer was in de afgelopen dertig jaar gaan lijken op de zangeres zonder de naam, zij nam de parfum beduusd in ontvangst. De 'zangeres' droeg een trui, maar dat zag ik pas de volgende dag. Toen keek ik de herhaling. Niet een hele dikke, maar toch, ja, een trui.
Bij Dr. Phil zat een echtpaar. De vrouw lag 18 uur per dag in bed. Ze deed helemaal niets aan het huishouden en liet haar man alles opknappen. Ze gaf haar man daar ook nog eens de schuld van. Die deed alles, terwijl ze daar helemaal niet om vroeg. Voor straf liet Phil haar de studiovloer dweilen. Niemand droeg verder een trui. Dat was een teken. Wohin? Wohin?
De paus kortte zijn paastoespraak in, vanwege de stromende regen op het St. Pietersplein. Aardig van de paus. Hier sneeuwde het. Althans dat meende ik te zien vanuit mijn bed. Misschien was het de sneeuw in mijn hersenpan. Hoe het ook zij, dat van die dikke gebreide truien begreep ik nu veel beter. Ik zoek een gedicht over sneeuw.
En zo ging dat door, vier warme, rillerige paasdagen lang.
woensdag 19 maart 2008
Citaat
"Er bestaat een abstract geestelijke vermoeidheid en dat is de ergste vermoeidheid van allemaal. Ze weegt niet zo zwaar als lichamelijke vermoeidheid en verontrust niet zozeer als emotionele vermoeidheid. Het is de last van het besef van de wereld, een niet-kunnen-ademen met de ziel. Alle voorstellingen die wij van het leven hebben, en alle ambities en plannen waarop we onze hoop op de toekomst hebben gebaseerd, scheuren dan als wolken in de wind en verwaaien als mistslierten, flarden van wat nooit was en nooit zou kunnen zijn. En achter de nederlaag rijst helder en zuiver de zwarte, onverzoenlijke eenzaamheid van de verlaten sterrenhemel op." (43)
Boek der Rusteloosheid
Boek der Rusteloosheid
maandag 17 maart 2008
Citaat
"Lezen is dromen aan de hand van een ander. Vluchtig en hardop lezen is je bevrijden van de hand die je leidt. Een oppervlakkige eruditie is de beste manier om goed te lezen en diepzinnig te zijn." (229)
Boek der Rusteloosheid
Boek der Rusteloosheid
Boek der Rusteloosheid

Ja, het Boek der Rusteloosheid van Pessoa lijkt nog het meeste op een weblog. Een weblog uit 1930.
Blader er al een tijdje verrukt doorheen. Het is bepaald geen boek dat je van a-z uitleest. Het is eerder een soort lange intieme gedachtenstroom, waarin je een stukje kunt meezwemmen. Een fragmentarisch geheel van impressies, gedachten, indrukken.
Ik denk dat ik vanaf nu, iedere dag iets citeer uit dit weblog avant la lettre. Waarom zou ik zelf nog iets nieuws verzinnen?
"Meningen hebben is verraad plegen aan jezelf. Geen meningen hebben is bestaan. Alle meningen hebben is dichter-zijn." (212)
zondag 9 maart 2008
Mijn Strandhuis (4)
Vervolg.Mijn derde bezoek
Behoedzaam deed ik de deur van de derde kamer open. Er scheen een rood licht. Er klonk zachte muziek. Warmte walmde me tegemoet. In het kleine kamertje zat een wulpse, geblondeerde, schaars geklede Rubensvrouw te bellen. Ze wuifde naar me, dat ik binnen kon komen. Ze stond op en sloot de gordijnen. Niet dat er iemand naar binnen kon kijken. Ook hier alleen maar duinen, steil omhoog.
Wacht eens even, dacht ik, is dit een hoer, die wacht op klanten? Maar hier ziet niemand haar. Was het de privé-hoer van onze artiest? Ik ging op de andere barkruk zitten. Mijn spijkerbroek, wollen vest en geitenharen sokken staken wat lomp af tegen haar sexy outfit. Ze droeg zo'n strak ding, ja, hoe noem je zoiets? Een bh, die helemaal doorloopt. Een stepin, geloof ik.
- Zeg, ik hang je. Er komt iemand binnen. Nee, hij niet. Een vrouw. Doei.
De Rubensvrouw hing op en keek naar me.
- Zo. Ben je daar dan eindelijk, zei ze en pakte een nagelvijl.
- Ik had je wel verwacht. Je was hier gisteren ook, he?
- Ja. Heb je me toen gezien?
- Nee, ik hoorde je praten met hem. Je hebt hem goed in de war gemaakt. Want 's avonds kregen we niet te eten van hem. Hij zei dat hij helemaal geen zin had om nog voor ons te koken. Hij gaf ons een tientje, en toen zijn zij en ik een patatje gaan kopen. Dat was al in geen tijden gebeurd.
- Zorgt hij voor jullie?
- Ja, zo zou je het kennen noemen. Hij is de baas. En wij doen wat hij zegt.
- Kom je wel eens in het atelier?
- In de voorkamer? Nee, bijna nooit. Dat vindt hij niet goed. Wij maken het rommelig, zegt ie. We leiden hem af. Ik vind het er ook niks an, hoor. Veel te veel hout.
Haar kleine kamertje was volgestouwd met prullaria. Roze schemerlampjes, een dressoir vol make-up en parfumpotjes en -flesjes. Een kledingkast waar de kanten topjes, broekjes, ceintuurtjes, haarbandjes uitpuilden.
Ik schoot in de lach. Nee, het atelier was niets voor haar. Daar waaide de wind. Daar waaide vernieuwing, inzicht. Hier niet, hier was het verstikkend, warm en vol. Of oordeelde ik te snel nu?
- Maar je hebt toch wel behoefte aan iets meer ruimte?
- Ik ken weg, hoor, als ik dat wil. Hij houdt me niet gevangen. Ik blijf hier uit mijn eigen vrije wil. En dat geldt ook voor het mensje hiernaast. Heb je haar ontmoet? Ze woont hier al twintig jaar of zoiets.
Ik vond haar op een of andere manier wel aardig. Rechtdoorzee als een marktkoopvrouw op de Albert Cuyp.
- Hoe heet je?
Ze deed net of ze me niet hoorde.
- De kleine lijkt trouwens kleiner dan ze is, hoor. Ze is al dik in de veertig, maar ze heb een
groeistoornis. We kennen elkaar al jaren. Eerst wilde ze er hier steeds bij, maar daar had ik geen trek in. Ik zei, je gaat naar je eigen hokkie, maar je mag zo vaak langskomen als je wilt: 1x in de ochtend, 1x in de middag, 1x in de avond. En geen gejank. Dus als ze hier is, is ze stil. En wat ze in d'r eigen tijd doet, dat mot ze zelf weten.
Ze vijlde haar nagels. Ze was mooi. Ik had zin om op haar bed te gaan liggen. Zacht en slaperig was het hier. En er hoefde niets. Er heerste hier misschien geen verbeelding. Maar ook geen pretenties.
- Ik heet trouwens Louise. En hij heet Jan. Die kleine heet Pinkie. Van traantje wegpinken, snappie. En omdat ze zo klein is, natuurlijk.
En ze lachte zo heerlijk parelend, het was erg aanstekelijk.
- Misschien moet je wat van die dikke kleren van je uittrekken. Je lijkt wel een ingepakte kroket.
Ik trok mijn trui uit en vroeg: 'Dus hoe oud is die Pinkie?'
- Ik weet het niet precies, maar ze zal zo'n jaar of 45 zijn, denk ik.
- En zit ze hier al twintig jaar te huilen?
- Ja, maar dat moet je niet al te serieus nemen, hoor. Dat is geen verdriet, eerder een gewoonte.
- En wat jij hier doet, is dat ook een gewoonte?
Even keek ze op.
- Zeg, ben jij psycholoog of zo? Als je hier gekomen bent om iedereen de les te lezen, dan hoepel je maar weer op, hoor.
- Ik zal het je nog sterker vertellen, ik ben de eigenaar van het huis.
- Ja, hoor, je ken me nog zoveel vertellen. Dan ben ik Sinterklaas, nou goed?
- Ik kom hier wonen, zei ik en ik vroeg me af waar ik opeens de zekerheid vandaan haalde. Ik neem het atelier, eh.... Jan krijgt het kamertje van Pinkie, jij mag hier blijven zitten en de huilebalk gaat er uit. Die moet meer van de wereld zien en ondervinden dat het allemaal wel meevalt. Je kan niet je hele leven op hetzelfde kamertje zielig zitten doen. Dat slaat nergens op.
Louise wilde iets terugzeggen, maar ik snoerde haar de mond. Daar was ze duidelijk niet aan gewend. Haar lippen hapten naar adem.
- Jullie mogen zo vaak in het atelier komen als je wilt. Van Jan leer ik alles over hout en de kleur rood. Van jou leer ik ook alles over de kleur rood, maar op een andere manier.
Ze giechelde en ik ook.
- En, o ja, jullie koken om de beurt voor mij. In ruil daarvoor hoef je vanaf nu geen huur te betalen.
Louise keek me verbijsterd aan. Ik ging zelfverzekerd op haar bed liggen. Ze draaide haar barkruk naar me en spreidde opschepperig haar kleine voetjes ten toon op het bed.
- Mijn teennagels zijn rood.
- Het is ook de kleur van je hart.
- En van je maandverband.
Die vrouwelijke dingen. Daar had ik nou Louise voor. Jippie. Ik kon veel van haar leren.
- De huilerige ogen van Pinkie.
- De narcissen van Jan.
- Nee...
We hoorden de buitendeur slaan. Liep Pinkie weg? Of kwam de kunstenmaker thuis? We keken elkaar aan en begonnen onbedaarlijk te lachen. Zoals alleen vrouwen dat samen kunnen.
voorjaar 2006, Jeanet van Omme
Schilderij van Karel Appel, Mannetje met de zon
Mijn Strandhuis (3)

vervolg
Mijn tweede bezoek
Het was zo'n kamertje dat je echt alleen maar in vakantiehuisjes vindt. Er stonden twee stalen stapelbedden, vergeeld zeil op de vloer, Tomado boekenrekje, een stoffige rieten lamp. Er lagen stapels dekens en kussens. Het rook er verschrikkelijk muf, alsof de kamer al jaren niet was gelucht. Het raam gaf uitzicht op het duin, dat zich direct achter het raam opwierp. Weinig te zien, alleen zand en gras. Op het onderste bed zat een klein mensje. Een klein, lelijk, onooglijk, onverzorgd mensje. Ze zat zachtjes te huilen, en toen ze in de gaten kreeg dat ik haar zag, zette ze het zelfs op een brullen.
Ik had meteen een enorme afkeer van haar. Bijna haat. Hetzelfde gevoel dat ik had toen ik de keuken zag. Gadverdamme. Weer iemand die zorg en aandacht vraagt. Weer zo'n underdog, die om hulp smeekt en begrip. Ik had helemaal geen zin in haar, maar ik ging uit beleefdheid toch maar even naast haar zitten op dat onderste bed. Haar helle lichtblauwe ogen volgden mijn bewegingen, ze kroop in de uiterste hoek van het bed.
- Ik doe niks, hoor, je hoeft echt niet bang te zijn. Misschien kan je even stoppen met huilen, dan kunnen we een gesprek hebben?
Ik zei het zo vriendelijk mogelijk, maar dat bracht ik nauwelijks op. Nee, ik had genoeg mensen op schoot gehad, dit leeftijdsloze wezentje hoefde daar niet bij.
- Ik ga jou nou eens niet redden, voor de verandering. Ik schrok van mijn eigen stem.
- Als jij hier wilt blijven zitten, onzichtbaar voor de buitenwereld, in een stoffig vijftiger jaren kamertje, dan is dat jouw probleem en niet het mijne. En waarom maak je het hier niet wat gezelliger voor jezelf?
Ze knikte heftig nee, nee, nee. En ze kroop nog verder de hoek in. Ik kon niks met haar.
- Ik ga nu even verder kijken. En hup, weg was ik.
Ik was eigenlijk helemaal niet zo'n harde tante, en daarom was ik verbijsterd over mezelf. Zo'n arm wicht, ik had het normaal onder mijn hoede genomen, zonder nadenken. Maar nu niet. Ik schudde mijn voeten los. Ik draaide mijn hoofd even in een cirkel op mijn romp. Ik haalde een paar diepe teugen adem. Zo.
Ik gluurde in het atelier, maar Appelman was er nog steeds niet. Even ging ik op zijn ribfluwelen stoel zitten. De narcissen genoten van de zon en gaven extra geel. Het fijne zand stoof in patronen over het strand. In de verte zag ik wat wandelaars, een hond. Ik had me nog nooit ergens zo thuisgevoeld. Maar niet wegzakken nu, hup, verder op onderzoek. Er was nog één kamer, recht tegenover de ingang van het atelier.
wordt vervolgd
zaterdag 8 maart 2008
Mijn Strandhuis (2)
vervolg- Hallo.
Verrek, in de hoek zat een man een pijp te roken in een grote, gezellige ribfluwelen stoel. Een ouderwetse leeslamp bescheen zijn kalende schedel, alsof hij er al jaren zat. Hij leek een beetje op Karel Appel, vond ik. Extra raar, want Karel Appel was net dood.
Ik schudde mijn natte haren. Het was in ieder geval iemand die zich de wereld had toegeëigend. Zo iemand die niet twijfelde of hij ergens mocht zijn of niet. Zo anders dan ikzelf. Me teveel voelen. Niet opvallen. Ik was er kampioen in.
- Eh, hallo. Ik ging verlegen aan de tafel zitten. Ik zag dat er allerlei houtsnijwerk op tafel stond.
- Mooie kamer heeft u.
- Dank je.
Ik durfde hem niet meteen te zeggen dat ik de eigenaar was van dit strandhuis. Ik wist het zelf nog maar net. Bovendien zat hij erbij alsof hij veronderstelde zelf de eigenaar te zijn. Hoe kon hij ook anders weten? Rustig aan, eerst maar eens een praatje maken.
-Ik zie dat u hout snijdt. Dat wil ik ook leren.
Ik had eens een interview met Karel Appel op de televisie gezien. Hij had me een half uur lang weten te boeien, terwijl hij het had over alle nuances van de kleur rood. Het vereist een speciaal soort levenskracht om kunstenaar te zijn. En dat had hij. Eenvoud-van-zijn gekoppeld aan eenvoud-van-ambacht. Dat leerde ik van Karel Appel in die documentaire. Een verlangen had hij in mij aangewakkerd naar zo'n zelfde monomaan, geobsedeerd, getalenteerd kunstenaarsleven. En dat verlangen bulderde nu weer in me, zoals de Noordzee buiten van zich liet horen.
De man zweeg intussen, trok aan zijn pijp en keek naar buiten. Hij was niet met mij bezig, dat was duidelijk. Hij was het type dat gewend is met zijn handen te werken. Iemand die veel buiten is. Beetje slordig en niet volgens de laatste mode.
- Ik gebruik alleen hout dat ik vind op het strand.
- Ja, dat zie ik. Juttershout.
- Ja, juttershout.
Hij was ook niet bepaald spraakzaam.
- Ik ontvang niet graag bezoek. Het wordt me gauw te vol hier.
En al helemaal niet aardig of tactvol. Puh, wat dacht hij niet? Ik ging hier niet meer weg. Het was mijn huis. En het was mijn kamer. Het was mijn bestemming. Ik moest Karel alleen nog van zijn plaats zien te krijgen en dan was dit atelier van mij.
- Als je weer warm en droog bent, dan moet je maar gaan.
- Ja, natuurlijk.
En hup, weg was mijn stoere voornemen. Ik stond in de deuropening voor ik het wist. Waar was ik nou, met mijn Karel wegwerken? Ik liet me als een klein meisje de laan uit sturen.
- Kom nog eens terug als het mooier weer is, zei hij. En hij volgde mij op mijn weg naar buiten. Hoe bedoelde hij dat?
- Weet u wie de eigenaar is van dit huis? Tijd rekken, nu.
- Nee. Hoezo? Wil je het kopen? Nu moest ik het zeggen. Dit was mijn kans. Gewoon zeggen. Ophoepelen, Appel. Het is mijn huis.
- Nee. Nou…
- Het is niet te koop, hoor. Ik woon hier al 45 jaar. Ik ben niet van plan daar verandering in te brengen. Ik ga hier dood of nergens. En nu ga ik strandjutten, dus…
- O.
Ik wist niets beters te zeggen. De man had de buitendeur al geopend, de wind rukte de deur bijna uit zijn handen. Terwijl ik me in mijn natte regenpak stond te hijsen, hoorde ik geluiden in het huis, die ik niet zo gauw kon thuisbrengen. Was er iemand aan het huilen? Aan het bellen? Ik deed zo lang als ik kon over mijn laarzen. Er woonden hier meer mensen, dat was nu zeker. Vraag het hem. Kom op, mens, het is jouw huis.
- Ga maar gauw.
- Dag.
Ik moest mijn buik inhouden om me langs hem te manoevreren. Langs het duin, het grote strand op. Ik keek niet meer om. Overbewust van mezelf balde ik mijn vuisten in mijn zak en kneep de schelpen fijn. Ik leek wel gek dat ik me als eigenaar domweg had laten wegsturen. Wat dacht die Appelman wel met zijn pijp en zijn tuttige ribfluwelen stoel en die hysterische narcissen en zijn Duitse houtsnijwerk? Wannabe artiest.
Ik had met mijn vuist op de tafel moeten slaan en moeten zeggen wie ik was.
Ooit had ik eens gelezen dat het gaat stormen, als een grote ziel sterft. Stormde het zo, omdat de ziel van Karel Appel moest worden meegevoerd? Ga maar, Karel. Je hebt genoeg aan de wereld gegeven en laten zien. Geef het stokje door aan anderen.
Zodra de zon scheen, zou ik terug gaan. Wat een erfenis, zeg. Ik schopte een stuk hout, terug de zee in.
wordt vervolgd
donderdag 6 maart 2008
Mijn Strandhuis (1)
Mijn eerste bezoekVast van plan orde op zaken te stellen in mijn pas verworven strandhuis, liep ik langs de bulderende Noordzee. Het regende pijpenstelen, het water sloeg kou in mijn gezicht. Eindelijk ging ik mijn nieuwe huis bekijken, het huis waarvan ik eigenaar was geworden. Wat een geluksvogel was ik! Een huis aan het strand, met uitzicht op zee.
In de verte brandden lichtjes. Daar moest het zijn. Het huis zag er uit als een grote witte strandtent. Ik zag drie grote ramen met uitzicht op het strand en de zee. Ik rende er naar toe en drukte mijn neus op de natte ruit. Het zag er zeer uitnodigend uit. In alle jaargetijden, op alle tijdstippen van de dag moest deze kamer een fantastisch uitzicht geven. Ik begon te huppelen, iets was ik jaren niet had gedaan. Mijn huis!
De ingang moest ik zoeken, die lag aan de achterkant. Het huis lag raar dicht tegen het hoge duin. Ik moest me langs het hoge duin naar de deur wurmen. Die was niet op slot en toen was ik binnen. De gang. Eerste indruk: veel hout. Een houten vloer, houten wanden, houten plafond. Gezellig donkerbruin. Smaakvol. Een gewei aan de muur. Wat aquarellen. Ik hing mijn natte jack op de kapstok (het gewei) en ik deed mijn laarzen uit.
Rechts zag ik de keuken, die keurig netjes was opgeruimd, alsof hij weinig werd gebruikt. Als ik maar niet in de keuken terecht komt, dacht ik meteen. (Wat me verbaasde, want ik houd van koken.) Gadverdamme, de hele dag cateren en zorgen, wat wil je drinken, koffie met iets erbij, de schijf van vijf, gezond moet het zijn en lekker en ook nog bij de tijd, nee, die verantwoordelijkheid, daar had ik nu eens helemaal geen zin in. Ze krijgen me met nog geen tien paarden de keuken in. Ik voelde me goed bij dat stellige voornemen.
Op sokken, wat een raar huiselijk gevoel gaf, werd ik als vanzelf naar de grote voorkamer gevoerd. Eerst moest ik naar die kamer met die drie grote ramen en dat uitzicht op het strand en de zee. In de deuropening, er zat geen deur in, bedenk ik me nu, stond ik stil. Het uitzicht was adembenemend. Alle kleuren grijs, gierend zand, regen. Door het slechte weer, scheen de kamer extra veilig. Een enorme ronde kachel. Grote collectie kunstboeken. Bij het raam stonden een paar vazen met grote bossen gele narcissen. Ik voelde me er meteen thuis. Het leek op een atelier. Ik had zin om op het oude Perzische kleed te gaan liggen en naar buiten te staren. Maar ik volgde mijn impuls niet meteen. Gelukkig maar.
Wordt vervolgd
woensdag 5 maart 2008
Man en Paard
De wekker gaat. Het is vroeg.
'Ik liep vannacht met een paard door onze straat', vertel ik man. 'Ik belde bij iedereen aan. Het paard wachtte geduldig. Het was zo'n groot zwart Belgisch paard met van die witte haarpluimen rond zijn hoeven. Gek. Ik vind paarden eigenlijk eng. Maar vannacht niet.'
'Dromen zijn willekeurige beelden, geactiveerd door spontane activiteit in de neuronale netwerken van je cortex.' Man geeuwt. 'Wij proberen daar een kloppend geheel te maken, maar het is allemaal toeval.' Man gaat op de rand van het bed zitten. 'Ik zou er maar niet te veel waarde aan hechten.' Man rekt zich uit.
Man doet hersenonderzoek. Ik hou veel van hem, maar nu moet ik hem toch de rug toedraaien. Man doet ochtendjas aan.
'Ben je boos?'
'Nee, hoor.' Mij mijn dromen ontnemen in een ongevraagd college?!
Kom je zo ontbijten?
'Ja.' Wanneer gebeurt het nou dat ik met een paard door de straat loop?!
Hersenonderzoekers.
Slimme mensen, doen nuttig werk.
Maar ze maken de wereld soms zo plat.
Zo zonder ... eh, ja, ik zou bijna zeggen ... tussentijd.
'Ik liep vannacht met een paard door onze straat', vertel ik man. 'Ik belde bij iedereen aan. Het paard wachtte geduldig. Het was zo'n groot zwart Belgisch paard met van die witte haarpluimen rond zijn hoeven. Gek. Ik vind paarden eigenlijk eng. Maar vannacht niet.'
'Dromen zijn willekeurige beelden, geactiveerd door spontane activiteit in de neuronale netwerken van je cortex.' Man geeuwt. 'Wij proberen daar een kloppend geheel te maken, maar het is allemaal toeval.' Man gaat op de rand van het bed zitten. 'Ik zou er maar niet te veel waarde aan hechten.' Man rekt zich uit.
Man doet hersenonderzoek. Ik hou veel van hem, maar nu moet ik hem toch de rug toedraaien. Man doet ochtendjas aan.
'Ben je boos?'
'Nee, hoor.' Mij mijn dromen ontnemen in een ongevraagd college?!
Kom je zo ontbijten?
'Ja.' Wanneer gebeurt het nou dat ik met een paard door de straat loop?!
Hersenonderzoekers.
Slimme mensen, doen nuttig werk.
Maar ze maken de wereld soms zo plat.
Zo zonder ... eh, ja, ik zou bijna zeggen ... tussentijd.
dinsdag 4 maart 2008
Horizon (2)
Punta Bagna speelde ook een spelletje met me. Realiseer ik me nu pas, nu ik weer terug ben.
Zolang ik als een poes zat te spinnen op die berg was het goed. Kopjes koffie drinkend, starend, neus in de zon. Punta Bagna vertrouwde me wijsheden toe, die ik zelf niet had kunnen bedenken. Punta Bagna fluisterde me goede voornemens in, die ik maar al te graag in mijn oren knoopte.
Maar zodra ik mijn ski's onderbond, kreeg ik hoogtevrees, liep ik vast off-piste, kwam ik op een ijzige helling terecht. Wat moest ik nog op ski's? Wat deed ik hier? Waarom moest alles zo snel en hoog?
Op de derde dag kwam man enthousiast thuis. 'Je ziet bijna geen oudere vrouwen op ski's', riep hij uit, terwijl hij me trots aankeek. 'Alleen jij.' 'En koningin Beatrix', voegde zoon A (17) droog toe.
Punta Bagna lachte zijn bulderende lach, met een bereik van precies 2737 meter.
Zolang ik als een poes zat te spinnen op die berg was het goed. Kopjes koffie drinkend, starend, neus in de zon. Punta Bagna vertrouwde me wijsheden toe, die ik zelf niet had kunnen bedenken. Punta Bagna fluisterde me goede voornemens in, die ik maar al te graag in mijn oren knoopte.
Maar zodra ik mijn ski's onderbond, kreeg ik hoogtevrees, liep ik vast off-piste, kwam ik op een ijzige helling terecht. Wat moest ik nog op ski's? Wat deed ik hier? Waarom moest alles zo snel en hoog?
Op de derde dag kwam man enthousiast thuis. 'Je ziet bijna geen oudere vrouwen op ski's', riep hij uit, terwijl hij me trots aankeek. 'Alleen jij.' 'En koningin Beatrix', voegde zoon A (17) droog toe.
Punta Bagna lachte zijn bulderende lach, met een bereik van precies 2737 meter.
maandag 3 maart 2008
Horizon (1)

De bergtop Punta Bagna (2737 meter!) was zo gastvrij om mij en andere wintersporters te ontvangen, afgelopen week. Ik heb er veel tijd doorgebracht. Dikke kleren, ingevette neus, kop in de zon. Ik had voor de vorm een boek op schoot, nam slokjes warme koffie en staarde intussen naar die bergtoppen in de verte. Uitzicht.
Het was alsof mijn ogen zich eraan laafden. Stadse ogen die zich vol lieten lopen met uitzicht, uitzicht en nog eens uitzicht. Gulzige ogen, die met de dag blauwer en voller en dieper werden. Daarvoor hoefde ik niet in de spiegel te kijken, dat kon ik voelen. En nu in Amsterdam, met slechts overburen in mijn smalle straat? Ik kijk dwars door de huizen en de mensen heen. De stad beperkt me niet. Ik heb een horizon waar ik weer een tijdje op kan teren.
Genereus van zo'n berg, he?
Merci, Punta Bagna. Thanks. Grazie. Danke. Bedankt.
zondag 2 maart 2008
Tiener

Tiener. Het woord doet een beetje ouderwets aan. Het is in onbruik geraakt. Ik weet niet waarom.
Tegenwoordig hebben we het liever over pubers. Puberbrein. Puberstreken. Puberteit. Het woord puber suggereert een probleem. Een puber is een lastpak. Iemand die de wetten van de school aanvecht. Iemand die aan de regels van zijn ouders tornt. Iemand die tegenwoordig zelfs staakt.
Maar wat is daar mis mee? Pubers zijn bezig zich te ontwikkelen tot volwassenen met een eigen individualiteit. Pech voor ons volwassenen, dat dat soms lastig is.
Tieners dus. Dat geeft alleen een leeftijdsaanduiding aan. Meer niet. Je hebt veertigers. Zestigers. Dertigers. En tieners.
Nou, ik kan het weten, want ik was een weekje wintersporten met man en drie tieners. Drie jongens: A. (17), M. (14) en W. (12). Lastig? Zeker. En hoekig. Humeurig. Slonzig. Onoplettend. Egocentrisch. Een regelrechte ramp.
Maar leu-eu-euk! Ik heb nog nooit zoveel vieze, discriminerende grappen gehoord als deze week. Echt grappen die niet kunnen. Bijvoorbeeld. Vraag: Weet jij een goede openingszin? Antwoord: Ik heb zin. En jij hebt een opening. En daar dan ontzettend hard om lachen met zijn 3-en. Ik zeg het je. Het kan echt niet.
(Waarbij het trouwens volkomen helder is dat de jongen van zeventien om iets anders lacht dan die van veertien, en waarbij de jongste eerder aarzelend meelacht. Drie soorten tienerlach, dus. Ja, het bestaat. En het is een voorrecht het mee te maken.)
Volgende keer meer. Eerst moest ik het woord tiener her-introduceren. Bij deze.
Abonneren op:
Posts (Atom)