dinsdag 8 juli 2008
1972
Het is zomer. Het regent. Ik huur Harold and Maude. Waarom heb ik deze aandoenlijke hippiefilm niet eerder gezien? Ik identificeer me meer met de tegen de klippen op levenslustige Maude van 80 jaar dan met de 16-jarige depressieve Harold. Maar dat komt waarschijnlijk omdat ik kijk met zoon M. (15).
Het is leuk om met hem een film uit 1972 te kijken. Ik moet het bijbehorende tijdsbeeld uitleggen. Een leren jasje is niet gewoon een leren jasje, dat is een statement. Dit lijkt geen lang haar, maar dat was het toen wel. Die muziek? Van Cat Stevens. En Maude heeft een nummer op haar arm. Dat soort commentaar.
Affijn, via Harold and Maude kom ik op Youtube terecht bij Cat Stevens, omdat zijn nummer Don't be Shy mooi aansluit bij een eerdere posting over verlegenheid. En zodoende weet ik ook eindelijk hoe ik een Youtubefilmpje op mijn weblog krijg geplakt.
Zomertip: huur Harold and Maude.
Want het regent. Komkommers. Ook hier - in de Tussentijd.
donderdag 26 juni 2008
Geheim (3)

Tijdens het fietstochtje naar mijn wekelijkse biodanza-avond gebeurt het, ik verander langzaam in een verlegen persoon. Ik kom schuchter de les binnen, ik gedraag me als een kluns tegenover andere dansers en ik sta met mijn mond vol tanden bij de docent.
Heel anders dan de rest van de week. En toch ga ik iedere dinsdag terug. Verlegen en al.
Vroeger was ik verschrikkelijk verlegen. Het bezoek een hand geven, dat vond ik een regelrechte ramp. Met een knalrood hoofd mompelde ik mijn naam richting mijn voeten. De telefoon was ook erg. Ik dreunde mechanisch het standaardzinnetje: Hallo, u spreekt met JvO, met wie spreek ik? Wat was ik bang voor de mens aan de andere kant van de lijn.
Hoewel? Is verlegenheid hetzelfde als angst? Ik geloof het niet, bij nader inzien. Angst is een emotie, verlegenheid lijkt eerder een onderdeel van iemands karakter. Verlegenheid heeft bovendien altijd te maken met een ander, het bekruipt je nooit als je alleen bent.
Tijdens het dansen heb ik dan ook regelmatig kleine hevige aanvalletjes van intense verlegenheid, die ik langzamerhand ben gaan koesteren. Want waar in deze snelle wereld kan je nou je verlegenheid oefenen? Verlegenheid is langzaam, verlegenheid is inefficiënt, verlegenheid is a-sociaal. Niet bepaald een eigenschap om mee voor de dag te komen. Maar ja, zo is het af en toe. Het contact tussen mensen is inderdaad soms stroef, onhandig en inefficiënt.
Nu ik dat meer durf toe te laten in mijn dagelijks leven, merk ik dat de verlegenheid een enorme kracht in zich herbergt. Het kan een sleutel zijn naar creativiteit. Vanuit onhandigheid tussen twee mensen kan van alles ontstaan. Het ongemak al bij voorbaat overschreeuwen of onder het tapijt moffelen is jammer, want het geeft de subtiele charme van de verlegenheid geen kans.
Bovendien heb ik inmiddels geleerd dat mijn kinderlijke onhandigheid ook altijd weer overgaat. Sta ik het ene moment intens verlegen met een ander te dansen, het volgende moment ben ik volwassen en brutaal. Dromerig. Mannelijk. Vloeibaar. Extravert. Vrouwelijk. Vrolijk. Levenslustig. Eenzaam. Introvert.
Verlegenheid hoort gewoon bij het oneindige spectrum van menselijke mogelijkheden. Ik ben blij dat de verlegenheid terug is in mijn volwassen leven. Hoe klunzig ook, uiteindelijk maakt het me een rijker mens.
http://jeanetvanomme.blogspot.com/2008/01/geheim.html
http://jeanetvanomme.blogspot.com/2008/02/geheim-2.html
dinsdag 24 juni 2008
Monument voor Jacqueline
Ja, dood, hoor ik.
Leverkanker, hoor ik.
Godverdomme, denk ik.
Ik zet muziek op: hits uit de jaren zeventig. Queen. Kate Bush. Hotel California. Die plaat had ze, dat weet ik zeker. We zijn terug in feestzaal Tivoli. Daar danst Jacqueline in haar toffe spijkerjackie. Haar lange, witte, steile haar geeft bijna licht in de donkere zaal. Ze lacht. En ze flirt. Want dat kon ze akelig goed, hoor, flirten.
En weg is ze.
maandag 26 mei 2008
Het echte werk
De co-assistente kijkt aarzelend naar de klok. Het is bijna half elf. Het zou na middernacht worden, had de gynaecoloog voorspeld. Ik zie dat ze niet van plan is iets te doen. Maar dit is geen drol. Dit is een kind.
'Je bent een lief meisje, hoor,' zeg ik poeslief, maar o zo dwingend. 'Maar ga nu de echte dokter er maar even bij halen.'
Ze staat op. Ik heb haar beledigd. Ik schaam me dood, maar het lijkt de enige manier om haar in beweging te krijgen.
Geen geluiden dringen door in de kamer, het lijkt alsof ik altijd in deze gedempte kamer zal moeten blijven, samen met A. en die enorme buik, waar altijd een baby in zal blijven zwemmen, waar nooit een einde aan komt, ik zou niet weten hoe deze baby eruit moet, trouwens, waarom moet dat eigenlijk, wie zegt me dat er een baby in zit, niemand weet wat er in die buik zit, laat maar lekker zweven, onder water, blijf maar lekker bij me, stil drijven, diep, stil…
De deur zwaait open. Het volle licht gaat aan. Een dikke verpleegster doet de ramen dicht. De deur zwaait nog een keer open. Energiek stapt nu de knappe gynaecoloog binnen. Mijn vliezen breken prompt. A. staat aan mijn voeteneind en krijgt zeker vijf liter vruchtwater over zich heen. Ik voel de baby een meter zakken. Hij is klaar om te landen. Iedereen schatert het uit.
'Zo, dat is gezellig hier', schreeuwt de knappe gynaecoloog. Waarom praat hij niet normaal? Ik wil niet. Ik wil in dat stille cocon van schemer, open raam, zomerbriesje, weeën opvangen. Ik wil niet persen. Ik vind het eng. Bij de eerste deed ik er zo lang over, stel dat het nu…
'Tien centimeter ontsluiting', blert de knappe gynaecoloog enthousiast. 'We gaan persen. Over een uurtje heb je een baby.'
'Ik durf niet', huil ik. 'Mijn vorige kind, daar heb ik vijf uur op geperst en….' Ik val en tuimel weg. Weg van hier. Vijf uur persen en toen had ik nog geen baby. Ik moet dat deze mensen vertellen. Het is belangrijk dat ze dat weten. Het is van levensbelang. Duizelig kijk ik ze aan. Ik kom niet uit mijn woorden.
Opeens hangt er een dik gezicht voor me. Bolle groene ogen kijken me dwingend aan. De dikke verpleegster. 'Dat was de vorige baby', zegt ze streng. 'Maar nu ben je hier. In Amsterdam. Op 23 mei. Persen nu! En niets anders.'
'Jaha', piep ik onderdanig en ik kan haar wel omhelzen.
De knappe gynaecoloog en de strenge verpleegster schreeuwen bevel na bevel. Ik moet persen. Ik moet mijn adem inhouden. Ik moet meedoen met de wee. O nee, juist niet. Ik word als een kogel door het bed geschoten door de krachten in mijn buik. Dit zijn persweeën! Wow! Ik ben wakker. Sterk. Energiek.
Maar ik geloof het niet.
'Wordt het al bijna geboren?' vraag ik met een ijl stemmetje. Iedereen lacht. De knapperd lacht zijn tanden bloot. De strenge dikkerd aait over mijn hoofd.
'Nog één wee', belooft ze.
Het hoofdje staat. Zo heet dat in jargon, als het hoofdje klaar is om geboren te worden. Dat doet zo'n verschrikkelijke pijn, omdat het eigenlijk niet kan. Ik ben een wond die opgerekt wordt om de een of andere reden. Waar dat goed voor is, weet ik niet. Dit moet niet verder gaan, want dan splijt ik in tweeën. Dan maak ik een geluid dat ik nog nooit eerder van mezelf hoorde. Het doet Louis Armstrong verbleken. Een grom. Een grauw. De aanhoudende huil van een wolvenmoeder. When the saints go marching in. En daar schiet de baby naar buiten. Dit kind heeft zin om te leven. Het is een jongetje. Ik val terug in de kussens. Yeah. The saints go marching in.
'Hoe gaat die heten?', vraagt de verpleegster, die ik scherp in de gaten houd, omdat ze er misschien zometeen met mijn baby vandoor gaat. Ze is trouwens helemaal niet zo dik. En ook niet streng.
M. We noemen hem M. Man en ik weten het zeker. Ha! Man is terug in beeld.
'Dat is toch een meisjesnaam?' vraagt de gynaecoloog terwijl hij de nageboorte opvangt en mij hecht.
Wat een lul. Het is gewoon een schreeuwerige corpsbal.
Hoezo knappe gynaecoloog? Laat die praatjesmaker van me afblijven. Die nageboorte komt vanzelf wel en die hechtingen zijn ook niet nodig.
Ik begin weer een beetje te lijken op de Jeanet die ik ken.
Het is waar gebeurd. Echt waar.
vrijdag 23 mei 2008
Kerstverhaal in mei

M., mijn jongste zoon, is vandaag jarig. Hij is vijftien. Hij heeft puistjes. Een beugel. En heel kortgeschoren haar. Een lange slungel, lange dunne benen, mannelijke kaken, ontvouwende schouders.
Ik ga terug in de tijd.
Tien jaar geleden in de kleuterklas van Meester Lucas. De Pinksterbloem, Vierde Montessorischool, Weesperzijde, Amsterdam. Een trotse feesthoed op M's blonde krullen, achter de feesttafel, met vijf feestkaarsjes. Ik was er ook, want het nieuws over de grote Meester-Lucas-verjaardagsvertelling had mij inmiddels bereikt. Mede-moeders hadden me op het hart gedrukt dat ik dat voor geen goud zou willen missen.
Meester Lucas begint: 'Op een dag….'
Hij onderbreekt zichzelf.
'Was het zonnig of regende het die dag, mama van M.?'
'Het was warm', antwoord ik. 'Heel mooi weer.'
'Op een hele mooie warme dag in mei, zat M. in de buik van zijn moeder. Hij had er schoon genoeg van, want die buik was te klein en hij was nieuwsgierig hoe zijn moeder eruit zag, natuurlijk.'
Ik zit aan mijn stoel genageld. Net als de kleutertjes. Ik steek nog net mijn duim niet in mijn mond. Waar gaat dat heen?
'Was het in het ziekenhuis of thuis?'
"In het ziekenhuis', zeg ik. Nu moet hij niet nog meer vragen gaan stellen, want de tranen kruipen omhoog.
'De mama van M. ging naar het ziekenhuis en daar floepte toen een baby uit.'
'Floep!' schreeuwt de klas.
'En ze noemden hem M.….'
'Ludo' roept M. vrolijk vanonder zijn hoed. Want hij weet de volgende vraag al, namelijk of hij nog meer namen heeft.
'M. Ludo ging eten en groeien en kruipen en praten en toen vierden ze M's eerste verjaardag. En daarom mag M.een kaarsje aansteken. Wie wil hem helpen?'
Zo doorliep Meester Lucas stap voor stap het korte levensverhaal van mijn kleine M, tot alle vijf kaarsjes brandden. Die dag speelde M. de hoofdrol in dit kerstverhaal. Morgen was het Anna, Abel of Jac. Steeds hetzelfde verhaal. Steeds een andere hoofdrolspeler en een kleine verschuiving in details. Floep.
En daarom luisterden we ademloos.
En daarom waren alle moeders heimelijk een beetje verliefd op Meester Lucas.
Deze meester begreep de rituele kracht van het verhaal. Het is het algemene geboorteverhaal. Het is Walt Disney. Het is het kerstverhaal. Het verhaal over het stalletje in Bethlehem. Maar ook over het OLVG ziekenhuis in Amsterdam - Oost. Het is het verhaal van hoe we ter wereld komen, allemaal wie we ook zijn.
Alleen hebben moeders in dit kleutersprookje geen weeën.
donderdag 24 april 2008
Grote Schoonmaak

Wat ik in mijn leven niet allemaal heb moeten herzien.
Aan meningen. Aan voornemens. Aan smaak.
Ik trouw nooit. Ik hou niet van Amélie Poulain. Ik ga echt niet met vreemden dansen. Ik stop niet met werken als ik kinderen krijg. Ik koop never een caravan. Ik hou niet van Mathijs van Nieuwkerk. Ik wil niet zo'n echtpaar zijn dat zwijgend tegenover elkaar zit. Mijn vrienden zijn mijn familie. Nooit slaap ik voor 24 uur. Dik zijn is voor slappelingen. Ik zal nooit tegen mijn kinderen zeggen dat ik ze niet 'gezellig' vind. Ik haat natuurfotografie. Familie interesseert me niet. De kleur van tuinkussens is onbelangrijk.
Wat was ik bang om een ingekakte tut te zijn, zo bang dat ik allemaal straffe dingen over mezelf afriep, die ik dan weer tandenknarsend moest hernemen. (Ik keek vanochtend Amélie Poulain - en vond het een heerlijke film. Terwijl ik er eerder bij in slaap was gevallen en dacht dat dat aan de film lag. Vandaar.)
Het lijstje is bij lange na niet volledig, maar dat doet er ook niet toe. Het gaat om het schoonmaakgebaar. Pffff. De bezem erdoor. Weg met die rommel. Weg met die ruis. Weg met die kwetterende stemmetjes die van alles van me moeten.
"Meningen hebben is verraad plegen aan jezelf.
Geen meningen hebben is bestaan.
Alle meningen hebben is dichter-zijn." (212)
vrijdag 16 november 2007
Koningskind
in de nacht van 8 op 9 november.
De regen klauwde smekend aan het raam.
De wind rukte en rammelde aan de deuren.
De superstorm wilde naar binnen.
Dat was duidelijk.
Ik deed de deur op slot en dat hielp.
Toen zag ik mijn dode vader buiten lopen,
zo springlevend als King Lear,
even naakt, gek, wanhopig, razend.
Daar liep hij en hij was de weg kwijt.
Nou, zeg, dat kun je wel zeggen.
Wat was mijn vader de weg kwijt.
Deze Cordelia zag hem strompelen in het donker.
Hij was de liefste koning van de hele wereld.
En zij geen koningskind, maar kind.
De nar wuifde en gebaarde
dat ze de deur op slot moest doen.
Extra in het nachtslot, bedoel je? Ja.
De nar trok een lange neus
en haalde huppelend zijn schouders op.
donderdag 1 november 2007
Baren en Schrijven (1)

31 oktober 2007
De wekker gaat. Man feliciteert me. Met onze zoon A. die vandaag zeventien wordt. Nog half in slaap, antwoord ik, tot mijn eigen verbazing: 'Wat een bevalling was dat!' En dat was het.
Ik heb destijds wel honderden pogingen gedaan om erover te schrijven, over mijn eerste overweldigende, onzinnige, beestachtige, prachtige, krankzinnige, ja, bijna onmenselijke ervaring om deze baby op de wereld te zetten.
Je kunt eten en de krant lezen.
Je kunt bellen en zwaaien.
Je kunt fietsen en kletsen.
Je kunt lezen en thee drinken.
Maar baren? Je kunt baren. That's it.
Over het hyperventilerende gepuf om je adem om die gigantische buik heen te leiden. Over je irritatie voor licht. Voor washandjes. Voor aandacht. Voor aanrakingen. Over hoofdjes die weer terugfloepen. Over gyneacologen die, ja wat doen die eigenlijk? Over puffen en persen. Over iets levends uitpoepen dat er eerst niet is en dan wel. En dat blijft. Over een raar, klein mannetje dat je met wijze ogen aankijkt alsof hij je al jaren kent. Over het gepruts met melkborsten en navelbandjes en luiers en badjes en flesjes. Over de zorg, die toen begon en nu al zeventien jaar onder mijn leven kabbelt.
Baren en schrijven: kennelijk ook een onmogelijke combinatie. Want ik vond er geen enkel boek over. En dat miste ik. Ik wilde lezen hoe andere vrouwen dit ervaarden. Of ik de enige was wiens wereld op zijn kop gezet was door de komst van zo'n kleine kabouter. Ik kwam allerlei technische bevallingsboeken tegen, dat wel, maar die stonden vol met onbruikbare tips voor de op handen zijnde bevalling. Niets over het baren zelf. En ik las de Ouders van Nu, maar die repte van babybehang en hoe je gezellig met je schoonmoeder naar Artis kon. Ook de literatuur meldde niets. De poëzie? Leeg. Alle geschreven woorden zwegen als het graf over de bevalling. Baren bleek het best bewaarde vrouwengeheim te zijn.
Dus ging ik het zelf proberen. Soms vind ik nog wel eens zo'n poging. Het werd gepruts dat niemand wilde lezen. Ikzelf al helemaal niet. De taal was niet toereikend genoeg. De taal wilde zich niet plooien om zaken rond leven en dood. Althans, niet direct. En dat was wel wat ik zocht. Poging gestaakt. Ik begon te begrijpen waarom alle andere vrouwen er niet over schreven. Het was domweg niet te doen. Een dikke laag ironie hielp, maar die omweg wilde ik niet. En zo bleef deze bevalling een verhaal in mijn hoofd, niet op papier.
Het klink gek, maar zoon A. heeft hier eigenlijk weinig mee te maken.
Hij is mijn zoon. Al zeventien jaar.
Hij is wezenlijk belangrijker dan ikzelf.
Maar dat is weer een heel ander verhaal.
zaterdag 20 oktober 2007
zondag 14 oktober 2007
Familieblog?!

Steven ik rechtstreeks af op een familieblog? Het begint er wel op te lijken, he. Steeds weer kom ik op de een of andere manier terecht bij grootouders, ouders, kinderen. Familie: ik schrijf graag over het wonderlijke fenomeen. Het is prachtig en afschuwelijk tegelijk. Het is bevrijdend en beklemmend. Familie vormt je. Tegelijkertijd moet je er wegwezen en als een haas je eigen weg vinden.
Het interesseert me, maar ik zit zelf tenslotte ook midden tussen de generaties. Dus zo vreemd is dat niet. Laat ik het mezelf dan maar toestaan erover te schrijven. Op het gevaar af dat ik word weggezet als de nieuwe Daphne Deckers.
Gisteren bruiloft. Grandioos familiefeest. Waar de vader van de bruidegom veeeeeeels te lang sprak. Waar ik wild danste met mijn zwager, als de vader van de bruid. Sigaretten deelde met mijn studerende nichtjes. Met mijn neven teveel wijn dronk, waardoor ik een onbetrouwbare taxichauffeur werd, zodat oma volkomen terecht liever een echte taxi naar huis nam. Waar ik vol verve de rol van tante Nets kon neerzetten. Waar ik de korte kritische of beter, inschattende blikken van mijn zussen doorstond (zoals alleen vrouwen onderling naar elkaar kunnen kijken) en vervolgens ouderwets lol met ze trapte.
Familie. Wat er ook gebeurt. Halleluja! Amen!
donderdag 6 september 2007
Flauwekul
Zaterdag 1 september 2007. Ik heb een afspraak met mijn achternichtje S., dochter van mijn neef H. Goed gesprek, we springen behendig van de hak op de tak, gedeelde genen, herkenbare humor, gemeenschappelijke gedachtenkronkels. Snel hoofd. Lacht hard en hartelijk en vaak. Ik daardoor ook. We vinden het leuk dat wij elkaar onlangs hebben leren kennen. We besnuffelen het fenomeen familie. Wat is dat? Hoe komt het dat je op elkaar lijkt? Dat je je op je gemak voelt? Dat je snel tot de kern kan komen? Het onderwerp interesseert haar. Mij ook. We dompelen ons onder in het drukke Bazaar aan de Albert Cuyp.
"Hoe ziet ze eruit? vraagt mijn moeder een dag later. Ik vertelde dat ik haar gisteren zag.
"Klein, krulletjes", zo vat ik haar samen. "Een beetje joods," hoor ik mezelf zeggen. "Ze zou het mollige zusje van Arnon Grunberg kunnen zijn", voeg ik er plagerig aan toe.
"Flauwekul", zegt mijn moeder afwerend. "Wil je nog koffie?"
Joods. Het is een terugkerend onderwerp in de familie. En dat komt door de meisjesnaam van mijn grootmoeder. Zij heet namelijk Christina Catharina Schaap. En Schaap is een joodse naam. Maar ja, is een naam altijd joods, vraag ik me af? Er zullen toch ook wel niet-joodse 'Schapen' zijn? Het is geen naam als 'Cohen', bijvoorbeeld. Of zijn er ook niet-joden die Cohen heten? Ach, ik weet er te weinig van.
Een aantal neven en nichten beweert bij hoog en bij laag dat wij joods zijn. De naam Schaap is bewijs genoeg, vinden ze. Denk maar aan de juwelier Schaap & Citroen, voegen ze dan toe - om hun punt te onderbouwen. Joods-zijn gaat van moeder op moeder, dus wij zijn ook joods, klaar uit, concluderen ze dan snel.
Toen me dit voor het eerst verteld werd, wist ik niet wat ik hoorde. Ik joods? Half-joods? Ik moest en zou hier meer van weten en onderwierp mijn moeder aan een kruisverhoor. Zij is ten slotte de directe dochter van deze Cato Schaap. De laatste dochter die nog leeft.
"Ach, flauwekul", zei mijn moeder.
Dat zegt ze snel en vaak bijvoorbaat, dus daar ging ik niet helemaal in mee. Ik vroeg door. Ik zag haar nadenken. Tot ze het ultieme argument vond om te bewijzen dat haar moeder niet joods was (en zij niet en ik dus ook niet en mijn neven en nichten al helemaal niet).
"Oom Hendrik uit Zutphen was een broer van mijn moeder. En die was hartstikke fout in de oorlog." Ze kijkt me triomfantelijk aan.
"Nou en?", vraag ik.
"Een jood is toch geen NSB'er?" Dat bedoelt ze duidelijk niet als vraag. Het is eerder een soort onontkoombare oorlogs-logica.
Kan je joods zijn en fout in de oorlog? In de optiek van mijn moeder niet, nee. Waren er joden die lid werden van de NSB als dekmantel? Of wist deze oom-Hendrik-uit-Zutphen zelf ook niet dat hij joods was? Net zoals wij dat nu niet weten? Veel vragen, geen antwoorden.
Ik was het eigenlijk weer vergeten. Ik had het afgedaan als een onbelangrijk vraagstuk. Want, stel dat ik wel half-joods blijk te zijn. Stel dat ik daarvoor uit archieven een bewijs weet op te graven. Maakt mij dat tot een interessanter persoon? Is mijn leven dan beter? Leuker? Tragischer? Verandert het iets? Wil ik me dan opeens in Israel vestigen? Nou, nee.
Flauwekul, zou mijn moeder zeggen. En ergens heeft ze gelijk. Of niet?
Moet ik het toch eens over hebben met mijn 'joodse' achternichtje S. Eens horen wat haar vroeger thuis verteld is. Ik ben nog niet klaar met die grootouders. Wordt zeer waarschijnlijk vervolgd.
vrijdag 24 augustus 2007
Beschermengelen
Waarom wil ik toch zo graag over die dode grootouders van mij schrijven? (Schrijven loopt vaak op mij zelf vooruit, ik word door mijn eigen schrijven aan het denken gezet, verder geholpen. Ik begrijp het nog niet, maar wil dat wel. Dus ik dram nog even door.)
Vriendin S. zei eens heel stellig tegen me: 'Wij hebben de Tweede Wereldoorlog net zo goed meegemaakt".
"Hoezo?" vroeg ik, want ik wist niet waar ze heen wilde. "Wij zijn toch na de oorlog geboren?"
"We zijn van oorlogservaringen doordrenkt, of onze ouders en grootouders er nu wel of niet over praatten. We kennen die oorlog door en door."
Dat klopt. Vriendin S. had gelijk. En het er niet over hebben, blijkt soms nog overweldigender dan het er wel over hebben.
Een zelfde mechanisme betreft mijn grootouders. Mijn moeder miste haar ouders, maar praatte nooit over ze. Er was niet veel te vertellen, zou ze zelf zeggen, als ik er wel eens naar vroeg. En daardoor zijn juist deze grootouders altijd levensgroot aanwezig geweest.
Als twee beschermengelen, denk ik nu. Maar dat komt misschien omdat ik gisteren the one and only Char heb gekeken. Is the letter R in their name? An A? An O? An L? Yes. Yes. Yes.
dinsdag 21 augustus 2007
Weemoedhoek
Heb van de zomer met mijn moeder het kerkhof bezocht, waar haar ouders begraven liggen. Mijn grootouders, dus. Ik zou daar graag een mooi weemoedig stukje over schrijven, met foto's en de hele rataplan. Mijn moeder heeft namelijk al heel lang geen ouders meer, sinds haar veertiende om precies te zijn. (Nou ja, ze lagen al die tijd in Enschede op een begraafplaats, maar daar had zij nooit zo veel aan.) En volgens mij heeft ze ze al die tijd gemist. Mijn moeder is 82.
Het was op een bepaalde manier een belangrijk bezoekje. Niet dat mijn moeder jammerend de haren uit haar hoofd trok, dat niet. Nee, integendeel, ze was eerder het toonbeeld van Twentse nuchterheid. Uit haar gedrag kon ik toch opmaken dat het haar aangreep, tussen de regels door, gewoon omdat we elkaar goed kennen. En dat greep mij weer aan.
Maar kan ik het wel maken om hierover te schrijven? Tegenover mijn moeder? Andere familie? Ach, mijn moeder noemt een computer een televisie. Ze zal dit weblog niet zo gauw bezoeken, wil ik maar zeggen. Want ze heeft wel een televisie in huis, maar geen computer. Niets aan de hand. Toch?
En hoe omzeil ik mijn immer op de loer liggende nostalgie als ik nu ook al over begraafplaatsen ga schrijven? Is dat wel verstandig? Ik sta soms te kijken van mijn eigen melancholie. Ben ik dat? Je kan best met me lachen, hoor, in levenden lijve, maar zodra ik schrijf duik ik de weemoed-hoek in. Dus ja, kennelijk ben ik dat. Ook.
Zal ik het dan leuker maken? Frisser? Grappiger?
Ik voel er niets voor om een leuke, vlotte schrijfstijl aan te wenden, en daarmee iets te doen wat ik niet ben. Een schrijfstijl kan dus liegen?
Vragen. Vragen. Vragen. Daar gaat mijn stukje over die zonnige dag op de Oosterbegraafplaats van Enschede. Ervoor in de plaats kauw ik nu op weblogdilemma's. Schrijfdilemma's.
En het zou best eens kunnen dat ze alleen maar schrijvend zijn op te lossen. Wordt vervolgd.
maandag 20 augustus 2007
Ieder jaar
Met tegenzin begin ik aan die ellenlange zomervakantie.
Ik zie er als een berg tegenop.
Man en kinderen lopen me voor de voeten.
Ik moet nog zoooveeeel doen.
Een beetje hysterisch, zeg maar.
Maar halverwege de vakantie ga ik voor de bijl.
Ik word zomervakantie. Werk is ver weg. Ik geniet van de (soms enorme) hoeveelheid mensen om me heen. Ik raak verslaafd aan de vakantieroutine (regelmatig met een sigaretje uit het deurtje van mijn oldtimer Kip Caravan hangen, bijvoorbeeld, kijken hoe man een schuur bouwt). Ik ben werkelijk kampioen uitslapen, koffie drinken, krant lezen, barbecuen, wandelen, spelletjes doen, veel slap ouwehoeren en veel op mijn kont zitten.
Nu zit ik ook op mijn kont. Maar achter mijn bureau in Amsterdam. Alleen. En ik mis het. Alles. Man en zijn schuur. Ik mis mijn zonen, hun vrienden, hun honger en zelfs hun vuile was. En, verdomd, ik mis natuurlijk mijn oldtimer caravan.
Het is ook ieder jaar hetzelfde liedje.
Mrs. Nostalgia, grow up.
dinsdag 31 juli 2007
Originele details

Hij staat er nog. Hij zweeft niet boven de bomen. Hij is niet verdwenen. Nee, de Kip Kemphaan gedraagt zich vooralsnog als een trouw beestje. De oldtimer caravan staat sinds gisteren bij mijn vakantiehuisje, en alles is anders. Het bos is anders. De lucht is anders. Ik zelf ben de draad kwijt. Af en toe gluur ik vanuit het huisje, en dan ben ik steeds verbaasd dat het ding er nog staat. Oldtimer. Net als ik. Bouwjaar 1962. Met originele details, zo stond het wervend in de advertentie op Marktplaats.
Ik heb mezelf moedwillig een kater gedronken gisterenavond. Wat moest ik anders doen om de herinneringen die me van alle kanten beslopen, te bezweren? Dat ik in een oud fotoalbum was terechtgekomen, dat was nog tot daar aan toe. Maar dit fotoalbum leek wel tot leven te komen, herinneringen die ik allang begraven had, kronkelden zich weer omhoog als oude bleke maden uit een graftombe.
Ik doe een middagdutje met papa, om de Zuid-Franse hitte te ontvluchten. Daar zit de jerrycan. Toch? Hier slaapt mama. Toen zat daar een gordijn. Hier, onder de banken, heeft mama een voorraad verstopt van blikken soep, potten pindakaas en knakworstjes. Een boekenplankje met Wiplala van Annie M.G.Schmidt. Zie je wel. Een gebloemde slaapzak. Een blauwe zwembroek met witte visjes. Gasfles. De drank veegt alle herinneringen op een steeds overzichtelijker wordende hoop.
's Nachts spat de overzichtelijke hoop uiteen in duizenden kleine splinters. Fragmenten van beeld, kleur en geur. En dat allemaal omdat ik die kleine vertrouwde Kip Kemphaan weer was binnengestapt. De wereld van mijn kindertijd.
Kijk! Wat heeft de Kip Kemphaan een schattige gordijntjes. Het geel doet pijn aan mijn ogen. Dat heb je soms met originele details.
dinsdag 26 juni 2007
Vakantiewerk (1)

Zoon A. (16) doet vakantiewerk in de keuken van een restaurant. Afwassen. Vriescellen schoonmaken. Honderd kippetjes vullen met citroen. Hij komt moe thuis. Uitgeput bijna. Maar heel gelukkig en voldaan!
Waarom lukt het het Amsterdams Lyceum niet om hem zo te laten glimmen van trots? Wat is dat toch met vakantiewerk?
Herinnering. Ik was zestien en ging mij inschrijven bij uitzendbureau Tempo-team. Ik was zelf nooit op dit idee gekomen, maar ik liet me meeslepen door M. mijn vriendin. Een type-snelheid-test moest ik doen, waar ik mij met twee vingers doorheen blufte. Ik had een jaar in het schoolbestuur gezeten als ab-actis, en had zelf een enorme hoge dunk van mijn typevaardigheid. Tempo-team zag er echter niets in.
Dus werden het twee weken in de kartonnagefabriek in Schiedam. Mijn opdracht? De zijkantjes van kartonnen sigarendoosjes razendsnel checken op oneffenheden. Of razendsnel? Nee, eerder produceerde de machine een constante, gestage stroom kartonnen strookjes, waar ik uitviste wat niet voldeed. Twee weken vol rafelige kartonrandjes, slecht gesneden stukjes en propperig papier. Grandioos.
Zoveel nuttiger dan Grieks en Latijn. Of kunstgeschiedenis. Of gymnastiek. Eindelijk het echte leven. Het klokken, de geur van karton, het constante lawaai, de onderlinge grappen die ik nauwelijks begreep, elkaar waarschuwen als de baas zich op de werkvloer vertoonde, de Turkse collega die probeerde te imponeren, ja, flirten bijna, de kantine met vieze stinksoep- ik weet het allemaal nog precies. Ik voelde me belangrijk. Soms ongemakkelijk. Maar in ieder geval hoorde ik ergens bij.
Vakantiewerk, een niet te onderschatten volwassenheidsrite. Echt hoor, daar kan geen leraar tegenop.
woensdag 6 juni 2007
Herr Bissecker
Als ik aan Duits denk, denk ik aan Herr Bissecker. Dat was mijn leraar Duits op de middelbare school. Door mijn oudere zussen (en hun vriendjes) had ik me laten opjutten. Durfde ik tegen mijn leraar Duits te zeggen: 'Du bist verruckt' Nee, toch. Of wel?
Ik was een lefgozertje in die tijd en ging de uitdaging aan. Natuurlijk kreeg ik straf en natuurlijk moest ik nablijven. De nablijfmiddag duurde eindeloos lang. Een muf lokaal vol verveling. De lol was er af. En de wraak van Herr Bissecker zoet. Zoeter dan hij zelf vermoedde, denk ik. Het suikerwater droop langs zijn kin, toen hij langs mijn tafeltje liep, stilhield, zijdelings naar me keek en zei: ' Jij hebt ook dikke brilleglazen, he?'
Ik implodeerde.
Sinds die tijd heb ik geen woord Duits meer gesproken.
Ik verklaarde Herr Bissecker dood.
En binnen een jaar had ik contactlenzen.

