Posts tonen met het label geschreven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geschreven. Alle posts tonen

woensdag 16 juli 2008

Schrijfworkshop (7)


vervolg.

Ken uzelve. Dat was eigenlijk kort en goed de les van deze workshop.

Schrijven heeft alles te maken met leven. Schrijven ligt in het verlengde van je eigen persoon, het is niet opeens iets anders, het is niet iets wat je overkomt, iets wat buiten jezelf ligt. Of je nu kookt of afwast of de hond uitlaat of lesgeeft of gitaarspeelt - je zit altijd met jezelf opgezadeld.

Dus ook als je schrijft. Opgezadeld met je eigen stijl. Met je eigen stem. Dat klinkt vervelender dan het is. Want het betekent dat er eigenlijk geen reden is om welke schrijfstijl dan ook te vrezen (tenzij je delen van jezelf vreest). En zoals altijd geeft het leven andere antwoorden dan je vantevoren denkt. Schrijf dus juist op die manier die je het meeste vreest of verafschuwt: het levert onverwachte resultaten op.

Als je in het dagelijks leven uitwaaiert, dan doe je dat op papier ook.
Als er geen theoreticus in je huist, vrees niet dat je opeens gortdroog gaat schrijven.
Als de cliché's van de Bouquet-reeks je tegenstaan, dan val je er schrijvend ook niet op terug.
Hou je van kort en bondig? Wedden dat je ook zo schrijft.
En tja, als je schrijfstijl dicht bij je spreektaal ligt, dan zou het best eens kunnen dat je schrijven af en toe te kletserig wordt.

Ken uzelve. Maar onthou, in je kracht schuilt ook je valkuil.
Een schrijfles, nee, levensles, die ik graag meeneem deze zomer.

(met veel dank aan Tanny Dobbelaar en Marjan Slob)

maandag 14 juli 2008

Schrijfworkshop (6)



vervolg.

Daar gaat 'ie dan.

Versie 3. Over the Rainbow.

Mei was een warme maand, in 1993. Op zondagochtend 23 mei had ik een afspraak met de verloskundige. Ik had weeën, al een week. Nep-weeën, die zich manifesteerden in harde buiken, zoals dat in vakjargon heet. Ze putten me uit zonder dat ze ergens toe leidden. Zonde van mijn energie, vond de vroedvrouw. Ik kon mijn krachten beter sparen voor de bevalling zelf. Daarom spraken we af dat ik diezelfde dag nog om 19 uur naar het OLVG zou komen. De bevalling zou worden ingeleid.

Aan het eind van de middag hebben A. en ik er genoeg van. De hitte maakt het wachten extra zwaar. We gaan een eindje rijden. We parkeren op de lange dijk naar Marken. Dit is ons favoriete plekje: de eindeloze watervlakte van het Ijsselmeer. Witte zeiltjes in de verte. We nemen niet eens de moeite om uit te stappen. Een eeuwenoud echtpaar, zoals we daar in de auto zitten te zwijgen.

Morgen heb ik een kind, denk ik. Maar ik zeg het niet hardop. Waar moeten we over praten? Wat valt er te zeggen met een kind in het vooruitzicht? We zitten allebei in onze eigen wereld. A. op de bestuurdersplek. En ik in de stoel ernaast. Ik voel me eenzaam en mijlenver van hem verwijderd.

'Kijk, een regenboog', zegt A. en hij wijst. 'Alle kleuren van de regenboog pal boven het Ijsselmeer! Dat is vast een goed voorteken.'
Hij kijkt me vertederd aan. We lachen samen. Hij buigt zich naar me over en geeft me een zachte zoen. Voor ons dobbert een zwanenechtpaar op het glinsterende water.

'Het is tijd om naar het ziekenhuis te gaan', antwoord ik.
A. keert de auto.
We gaan naar het eind van de regenboog.
We gaan op weg naar ons kind.


En nu niet 'amen' of 'halleluja' toevoegen. Nee, niet doen!

zondag 13 juli 2008

Schrijfworkshop (5)


vervolg

Het was half vier, tweede dag. De schrijfworkshop was bijna ten einde. Het werd dus de hoogste tijd om aan de laatste versie te beginnen. De kitschversie. De drakerige versie. Het bekentenisproza. Het grote cliché-verhaal. Het verhaal dat ik vreesde.

Ik jongleerde met regenbogen, glimlachende vrouwen, betraande ogen, stoere mannen en zwanenpaartjes dobberend op glinsterend water. Lekker schaamteloos wentelde ik me in alle mogelijke cliché's. Voorbij mijn zelfcensuur en vooringenomen ideeën over wat wel en niet mocht.

Gespannen las ik de eerste versie van mijn kitsch-verhaal voor aan mijn medecursisten. Toen ik klaar was, zag ik dat ze tamelijk blanco naar me keken.
-En? piepte ik.
Mooi, zei de een. Beeldend, zei de ander. Sfeervol, maar geen kitsch.
-Waarom dan niet? vroeg ik enigszins teleurgesteld.
- Omdat jij tussen de regels door schrijft. Je reflecteert, relativeert, je geeft een knipoog. Dat gebeurt niet in een Bouquetreeks.
- Moet ik dat dan weghalen? twijfelde ik hardop. Maar dan wordt het dodelijk saai. Nog saaier. Eendimensionaal. Wat nu?

Mijn medecursisten zwegen in alle talen. Aanvankelijk begreep ik hun stilzwijgen niet. Ik kon het niet interpreteren. Weken later viel het kwartje. Het was alsof ze zeiden:
- Wees niet zo arrogant. Je kunt helemaal geen kitsch schrijven. Al zou je het willen. Iedereen zijn eigen stijl. Maar kitsch is niet jouw stijl en dus ook niet iets om te vrezen.'

Dus dat waar ik bang voor was, kon ik helemaal niet. Dat gaf vertrouwen en maakte nederig tegelijkertijd. Een wijze les.

En of het klopt, kunt u morgen lezen.

zaterdag 12 juli 2008

Schrijfworkshop (4)


Vervolg.

Versie 2 Het Echte Werk.
Toen schreef ik het verhaal van vlees en bloed. (En gezien het onderwerp moest ik dat in dit geval erg letterlijk nemen.) Het verhaal zoals het echt was.

Ik ondervond aan den lijve dat schrijven veel met acteren te maken heeft. Om het goed op te schrijven moest ik met huid en haar terug in de ervaring van destijds. Gevolg was dat tijdens het schrijven op een gegeven moment de tranen langs mijn wangen biggelden. En dit had niets met goedkoop effectbejag te maken. Maar alles met inleving. Leuk om te doen, maar tamelijk uitputtend.

En was het verhaal uiteindelijk zonder effectbejag? Was het de echte versie? Dat valt nog te bezien. Of de verpleegster inderdaad dik was en groene bolle ogen had, weet ik niet meer. Ik maakte haar zo, omdat ze dan leuk contrasteerde met de knappe gynaecoloog (wiens gezicht ik trouwens me ook totaal niet meer voor de geest haal). Ik maakte hem alleen maar tot een schreeuwerige corpsbal, omdat dat me goed uitkwam voor het verhaal.

Allemaal verzonnen, dus. En toch echt gebeurd.

Lessen tot nu toe.
1) Kijk uit voor vrijblijvend geklets. Daarin schuilt het grootste gevaar.
2) Er is niets mis met effectbejag als dat het verhaal geloofwaardig maakt.

Maar versie 3 verraste me het meest. De kitsch-versie bleek heel anders uit te pakken dan ik verwachtte...

Morgen meer.

vrijdag 11 juli 2008

Schrijfworkshop (3)


Vervolg.



Aan het eind van de tweede workshopdag had ik drie versies van hetzelfde verhaal.

Versie 1 Kerstverhaal in Mei.
Als eerste schreef ik een verhaal in een verhaal. Ik beschreef het verhaal over de geboorte van M., zonder een druppeltje bloed, een spatje zweet. Geen traan geplengd. Een kind geboren zonder een puffende moeder met weeën.

Een kerstverhaal. Een anecdote. Een herinnering. Leuk om op te schrijven. Gezellig om te lezen. Maar onschuldig.

Ik kan er een blog mee volbabbelen, maar het is de vraag of het mij, of de lezer of wie dan ook, wezenlijk raakt. Weer een stukje geschreven. Hopla. En, als ik streng ben, moet ik dit weblog eigenlijk eens overlezen op alle lichtverteerbare babbeldebabbel. En als het TE wordt, dan weg ermee. Schrappen. Herschrijven. Want gezellig en vrijblijvend schrijven: is dat mijn ambitie? Is dat wat ik met dit weblog wil? Mwah. Ik geloof het niet.

Een belangrijk schrijfles. Kijk uit voor vrijblijvend geklets. Het is de gemakkelijke babbeldebabbel-stijl, die ik het meeste moet vrezen.

Morgen meer.

donderdag 10 juli 2008

Schrijfworkshop (2)


Vervolg

'Waar kan je jouw 'onderwerp' mee vergelijken? Wat voor keukengereedschap is het? Wat voor type weer? Wat voor huis? Landschap?' Tanny opende dag twee van de workshop met een korte schrijfoefening. Het is een bekende oefening voor schrijfdocenten. Beeldend schrijven.

Wat onthullend om 'm nu eens als cursist te doen! Ik had de slaap nog in de ogen en ontzettende zin in een kop koffie met daarbij een goed gesprek met één van mijn mede-cursisten, maar nee, ik moest mij concentreren op zowel mijn onderwerp (waar wilde ik het ook alweer over hebben?) als op de verbeelding ervan. Er huisde beslist een opstandige cursist in mij.

Maar ik deed mee. En waarempel, de schrijfstijl van mijn weblog begon grappig genoeg op een zakmes te lijken. Verschillende soorten gereedschap, maar onderdelen van hetzelfde apparaat. En het weertype was het platgetreden cliché van de regenboog. Mooi en veelkleurig, maar reuze onbruikbaar.

Deze oefening was het startschot van een zeer geïnspireerde tweede dag. We schreven als gekken. Doordat we die eerste dag aan banden waren gelegd, niet meteen mochten wegsprinten in ons verhaal, maar eerst moesten stilstaan bij onze centrale vraag, nadenken, formuleren, vragen beantwoorden.... waren we nu zo goed voorbereid, dat we niet meer waren te stuiten. Als je de inspiratiestroom tegenhoudt, maar intussen wel voedt en stimuleert, wordt die kennelijk alleen maar voller.

Nog voor het einde van de workshop, had ik alweer twee lessen geleerd. 1) Een cursist kan lastig zijn om vele redenen, als docent hoef je daar niet zoveel mee, tenzij de cursist jou persoonlijk aanvalt of zo. 2) Net zoals de geur van vers brood de honger versterkt, maar niet oplost, heeft het zin om de creativiteit in te tomen voor je hem vrijlaat. Zo krijgt creativiteit richting, diepte en een zekere tomeloosheid.

Wijze lessen. Voor mij als schrijfdocent. Maar voor de schrijver?

woensdag 9 juli 2008

Schrijfworkshop (1)


In mei van dit jaar volgde ik een tweedaagse workshop van Tanny Dobbelaar en Marjan Slob. Ik kwam daar binnen met een schrijfdilemma. Het betrof dit blog. Het was nog niet makkelijk om mijn schrijfdilemma te verwoorden maar door het vriendelijke doch spijkerharde kruisverhoor van Tanny werd het zoiets. (Bovendien eiste ze van ons dat we onze onderzoeksvraag in 1 zin formuleerden. Dat is beslist terug te lezen in de kromheid van de nu volgende zin.)

Op mijn weblog schrijf ik het liefst persoonlijke stukjes over wat mij bezighoudt, maar ik ben als de dood dat het kitscherig bekentenisproza wordt; alleen een goede stijl houdt die stukjes leesbaar, maar wat is een goede stijl die het persoonlijke in tact laat en het zeikerige op afstand?

'Je bent op zoek naar een soort poëtica van je weblog?' vroeg Tanny. Ik knikte. Al klonk dat in mijn oren misschien wat hoogdravend, zoiets was het toch wel.

Dus verwachtte ik vervolgens dat ik over mijn weblogschrijfstijl een ingewikkeld theoretisch betoog zou gaan schrijven. Dat leek me wel wat. Maar Tanny bleek daar niet op uit te zijn. Ze vroeg of ik een concreet onderwerp kon noemen, waarbij ik bang was in een kitscherige schrijfstijl te vervallen.

Ik noemde de bevalling van mijn kinderen. Dat is voor mij een hoogstpersoonlijke ervaring, een onderwerp van belang, een ingrijpend moment, niet alleen in mijn leven maar in alle moederlevens. Desalniettemin wordt er weinig over geschreven. Maar hoe schrijf je over zo'n onderwerp zonder uit te glijden in al te drakerig bekentenisproza?

'Ik stel voor dat jij jouw bevalling gaat opschrijven in een paar verschillende stijlen', zei ze. 'Bij wijze van experiment.'

En toen was de dag om.

Ik had in ieder geval twee dingen geleerd. 1) Een goede schrijfdocent voldoet niet per se aan de verwachtingen van de cursist. 2) En, een schrijfdocent mag veeleisend zijn en een cursist enigszins uitputten. Ik vond dit nuttige lessen voor mijn werkende ik (schrijfdocent).

Ik had echter nog geen letter geschreven. En inhoudelijk was er ook nog steeds geen antwoord op mijn vragen over mijn schrijfstijl. Ik was benieuwd wat het experiment mij de volgende dag zou brengen. Ik had er nog geen voorstelling bij. 's Nachts droomde ik van regenbogen, roze wolken en knappe gynaecologen.

maandag 26 mei 2008

Het echte werk

'Ik denk dat het zover is. De baby komt eraan', piep ik.
De co-assistente kijkt aarzelend naar de klok. Het is bijna half elf. Het zou na middernacht worden, had de gynaecoloog voorspeld. Ik zie dat ze niet van plan is iets te doen. Maar dit is geen drol. Dit is een kind.
'Je bent een lief meisje, hoor,' zeg ik poeslief, maar o zo dwingend. 'Maar ga nu de echte dokter er maar even bij halen.'
Ze staat op. Ik heb haar beledigd. Ik schaam me dood, maar het lijkt de enige manier om haar in beweging te krijgen.

Geen geluiden dringen door in de kamer, het lijkt alsof ik altijd in deze gedempte kamer zal moeten blijven, samen met A. en die enorme buik, waar altijd een baby in zal blijven zwemmen, waar nooit een einde aan komt, ik zou niet weten hoe deze baby eruit moet, trouwens, waarom moet dat eigenlijk, wie zegt me dat er een baby in zit, niemand weet wat er in die buik zit, laat maar lekker zweven, onder water, blijf maar lekker bij me, stil drijven, diep, stil…

De deur zwaait open. Het volle licht gaat aan. Een dikke verpleegster doet de ramen dicht. De deur zwaait nog een keer open. Energiek stapt nu de knappe gynaecoloog binnen. Mijn vliezen breken prompt. A. staat aan mijn voeteneind en krijgt zeker vijf liter vruchtwater over zich heen. Ik voel de baby een meter zakken. Hij is klaar om te landen. Iedereen schatert het uit.

'Zo, dat is gezellig hier', schreeuwt de knappe gynaecoloog. Waarom praat hij niet normaal? Ik wil niet. Ik wil in dat stille cocon van schemer, open raam, zomerbriesje, weeën opvangen. Ik wil niet persen. Ik vind het eng. Bij de eerste deed ik er zo lang over, stel dat het nu…

'Tien centimeter ontsluiting', blert de knappe gynaecoloog enthousiast. 'We gaan persen. Over een uurtje heb je een baby.'
'Ik durf niet', huil ik. 'Mijn vorige kind, daar heb ik vijf uur op geperst en….' Ik val en tuimel weg. Weg van hier. Vijf uur persen en toen had ik nog geen baby. Ik moet dat deze mensen vertellen. Het is belangrijk dat ze dat weten. Het is van levensbelang. Duizelig kijk ik ze aan. Ik kom niet uit mijn woorden.

Opeens hangt er een dik gezicht voor me. Bolle groene ogen kijken me dwingend aan. De dikke verpleegster. 'Dat was de vorige baby', zegt ze streng. 'Maar nu ben je hier. In Amsterdam. Op 23 mei. Persen nu! En niets anders.'

'Jaha', piep ik onderdanig en ik kan haar wel omhelzen.

De knappe gynaecoloog en de strenge verpleegster schreeuwen bevel na bevel. Ik moet persen. Ik moet mijn adem inhouden. Ik moet meedoen met de wee. O nee, juist niet. Ik word als een kogel door het bed geschoten door de krachten in mijn buik. Dit zijn persweeën! Wow! Ik ben wakker. Sterk. Energiek.
Maar ik geloof het niet.
'Wordt het al bijna geboren?' vraag ik met een ijl stemmetje. Iedereen lacht. De knapperd lacht zijn tanden bloot. De strenge dikkerd aait over mijn hoofd.

'Nog één wee', belooft ze.

Het hoofdje staat. Zo heet dat in jargon, als het hoofdje klaar is om geboren te worden. Dat doet zo'n verschrikkelijke pijn, omdat het eigenlijk niet kan. Ik ben een wond die opgerekt wordt om de een of andere reden. Waar dat goed voor is, weet ik niet. Dit moet niet verder gaan, want dan splijt ik in tweeën. Dan maak ik een geluid dat ik nog nooit eerder van mezelf hoorde. Het doet Louis Armstrong verbleken. Een grom. Een grauw. De aanhoudende huil van een wolvenmoeder. When the saints go marching in. En daar schiet de baby naar buiten. Dit kind heeft zin om te leven. Het is een jongetje. Ik val terug in de kussens. Yeah. The saints go marching in.

'Hoe gaat die heten?', vraagt de verpleegster, die ik scherp in de gaten houd, omdat ze er misschien zometeen met mijn baby vandoor gaat. Ze is trouwens helemaal niet zo dik. En ook niet streng.

M. We noemen hem M. Man en ik weten het zeker. Ha! Man is terug in beeld.

'Dat is toch een meisjesnaam?' vraagt de gynaecoloog terwijl hij de nageboorte opvangt en mij hecht.
Wat een lul. Het is gewoon een schreeuwerige corpsbal.
Hoezo knappe gynaecoloog? Laat die praatjesmaker van me afblijven. Die nageboorte komt vanzelf wel en die hechtingen zijn ook niet nodig.

Ik begin weer een beetje te lijken op de Jeanet die ik ken.
Het is waar gebeurd. Echt waar.

vrijdag 23 mei 2008

Kerstverhaal in mei


M., mijn jongste zoon, is vandaag jarig. Hij is vijftien. Hij heeft puistjes. Een beugel. En heel kortgeschoren haar. Een lange slungel, lange dunne benen, mannelijke kaken, ontvouwende schouders.

Ik ga terug in de tijd.

Tien jaar geleden in de kleuterklas van Meester Lucas. De Pinksterbloem, Vierde Montessorischool, Weesperzijde, Amsterdam. Een trotse feesthoed op M's blonde krullen, achter de feesttafel, met vijf feestkaarsjes. Ik was er ook, want het nieuws over de grote Meester-Lucas-verjaardagsvertelling had mij inmiddels bereikt. Mede-moeders hadden me op het hart gedrukt dat ik dat voor geen goud zou willen missen.

Meester Lucas begint: 'Op een dag….'
Hij onderbreekt zichzelf.
'Was het zonnig of regende het die dag, mama van M.?'
'Het was warm', antwoord ik. 'Heel mooi weer.'
'Op een hele mooie warme dag in mei, zat M. in de buik van zijn moeder. Hij had er schoon genoeg van, want die buik was te klein en hij was nieuwsgierig hoe zijn moeder eruit zag, natuurlijk.'

Ik zit aan mijn stoel genageld. Net als de kleutertjes. Ik steek nog net mijn duim niet in mijn mond. Waar gaat dat heen?

'Was het in het ziekenhuis of thuis?'
"In het ziekenhuis', zeg ik. Nu moet hij niet nog meer vragen gaan stellen, want de tranen kruipen omhoog.
'De mama van M. ging naar het ziekenhuis en daar floepte toen een baby uit.'
'Floep!' schreeuwt de klas.
'En ze noemden hem M.….'
'Ludo' roept M. vrolijk vanonder zijn hoed. Want hij weet de volgende vraag al, namelijk of hij nog meer namen heeft.
'M. Ludo ging eten en groeien en kruipen en praten en toen vierden ze M's eerste verjaardag. En daarom mag M.een kaarsje aansteken. Wie wil hem helpen?'

Zo doorliep Meester Lucas stap voor stap het korte levensverhaal van mijn kleine M, tot alle vijf kaarsjes brandden. Die dag speelde M. de hoofdrol in dit kerstverhaal. Morgen was het Anna, Abel of Jac. Steeds hetzelfde verhaal. Steeds een andere hoofdrolspeler en een kleine verschuiving in details. Floep.

En daarom luisterden we ademloos.
En daarom waren alle moeders heimelijk een beetje verliefd op Meester Lucas.

Deze meester begreep de rituele kracht van het verhaal. Het is het algemene geboorteverhaal. Het is Walt Disney. Het is het kerstverhaal. Het verhaal over het stalletje in Bethlehem. Maar ook over het OLVG ziekenhuis in Amsterdam - Oost. Het is het verhaal van hoe we ter wereld komen, allemaal wie we ook zijn.

Alleen hebben moeders in dit kleutersprookje geen weeën.

zondag 9 maart 2008

Mijn Strandhuis (4)

Vervolg.
Mijn derde bezoek

Behoedzaam deed ik de deur van de derde kamer open. Er scheen een rood licht. Er klonk zachte muziek. Warmte walmde me tegemoet. In het kleine kamertje zat een wulpse, geblondeerde, schaars geklede Rubensvrouw te bellen. Ze wuifde naar me, dat ik binnen kon komen. Ze stond op en sloot de gordijnen. Niet dat er iemand naar binnen kon kijken. Ook hier alleen maar duinen, steil omhoog.

Wacht eens even, dacht ik, is dit een hoer, die wacht op klanten? Maar hier ziet niemand haar. Was het de privé-hoer van onze artiest? Ik ging op de andere barkruk zitten. Mijn spijkerbroek, wollen vest en geitenharen sokken staken wat lomp af tegen haar sexy outfit. Ze droeg zo'n strak ding, ja, hoe noem je zoiets? Een bh, die helemaal doorloopt. Een stepin, geloof ik.

- Zeg, ik hang je. Er komt iemand binnen. Nee, hij niet. Een vrouw. Doei.

De Rubensvrouw hing op en keek naar me.

- Zo. Ben je daar dan eindelijk, zei ze en pakte een nagelvijl.
- Ik had je wel verwacht. Je was hier gisteren ook, he?
- Ja. Heb je me toen gezien?
- Nee, ik hoorde je praten met hem. Je hebt hem goed in de war gemaakt. Want 's avonds kregen we niet te eten van hem. Hij zei dat hij helemaal geen zin had om nog voor ons te koken. Hij gaf ons een tientje, en toen zijn zij en ik een patatje gaan kopen. Dat was al in geen tijden gebeurd.
- Zorgt hij voor jullie?
- Ja, zo zou je het kennen noemen. Hij is de baas. En wij doen wat hij zegt.
- Kom je wel eens in het atelier?
- In de voorkamer? Nee, bijna nooit. Dat vindt hij niet goed. Wij maken het rommelig, zegt ie. We leiden hem af. Ik vind het er ook niks an, hoor. Veel te veel hout.

Haar kleine kamertje was volgestouwd met prullaria. Roze schemerlampjes, een dressoir vol make-up en parfumpotjes en -flesjes. Een kledingkast waar de kanten topjes, broekjes, ceintuurtjes, haarbandjes uitpuilden.
Ik schoot in de lach. Nee, het atelier was niets voor haar. Daar waaide de wind. Daar waaide vernieuwing, inzicht. Hier niet, hier was het verstikkend, warm en vol. Of oordeelde ik te snel nu?

- Maar je hebt toch wel behoefte aan iets meer ruimte?
- Ik ken weg, hoor, als ik dat wil. Hij houdt me niet gevangen. Ik blijf hier uit mijn eigen vrije wil. En dat geldt ook voor het mensje hiernaast. Heb je haar ontmoet? Ze woont hier al twintig jaar of zoiets.

Ik vond haar op een of andere manier wel aardig. Rechtdoorzee als een marktkoopvrouw op de Albert Cuyp.

- Hoe heet je?

Ze deed net of ze me niet hoorde.

- De kleine lijkt trouwens kleiner dan ze is, hoor. Ze is al dik in de veertig, maar ze heb een
groeistoornis. We kennen elkaar al jaren. Eerst wilde ze er hier steeds bij, maar daar had ik geen trek in. Ik zei, je gaat naar je eigen hokkie, maar je mag zo vaak langskomen als je wilt: 1x in de ochtend, 1x in de middag, 1x in de avond. En geen gejank. Dus als ze hier is, is ze stil. En wat ze in d'r eigen tijd doet, dat mot ze zelf weten.

Ze vijlde haar nagels. Ze was mooi. Ik had zin om op haar bed te gaan liggen. Zacht en slaperig was het hier. En er hoefde niets. Er heerste hier misschien geen verbeelding. Maar ook geen pretenties.

- Ik heet trouwens Louise. En hij heet Jan. Die kleine heet Pinkie. Van traantje wegpinken, snappie. En omdat ze zo klein is, natuurlijk.

En ze lachte zo heerlijk parelend, het was erg aanstekelijk.

- Misschien moet je wat van die dikke kleren van je uittrekken. Je lijkt wel een ingepakte kroket.

Ik trok mijn trui uit en vroeg: 'Dus hoe oud is die Pinkie?'

- Ik weet het niet precies, maar ze zal zo'n jaar of 45 zijn, denk ik.
- En zit ze hier al twintig jaar te huilen?
- Ja, maar dat moet je niet al te serieus nemen, hoor. Dat is geen verdriet, eerder een gewoonte.
- En wat jij hier doet, is dat ook een gewoonte?

Even keek ze op.

- Zeg, ben jij psycholoog of zo? Als je hier gekomen bent om iedereen de les te lezen, dan hoepel je maar weer op, hoor.
- Ik zal het je nog sterker vertellen, ik ben de eigenaar van het huis.
- Ja, hoor, je ken me nog zoveel vertellen. Dan ben ik Sinterklaas, nou goed?
- Ik kom hier wonen, zei ik en ik vroeg me af waar ik opeens de zekerheid vandaan haalde. Ik neem het atelier, eh.... Jan krijgt het kamertje van Pinkie, jij mag hier blijven zitten en de huilebalk gaat er uit. Die moet meer van de wereld zien en ondervinden dat het allemaal wel meevalt. Je kan niet je hele leven op hetzelfde kamertje zielig zitten doen. Dat slaat nergens op.

Louise wilde iets terugzeggen, maar ik snoerde haar de mond. Daar was ze duidelijk niet aan gewend. Haar lippen hapten naar adem.

- Jullie mogen zo vaak in het atelier komen als je wilt. Van Jan leer ik alles over hout en de kleur rood. Van jou leer ik ook alles over de kleur rood, maar op een andere manier.

Ze giechelde en ik ook.

- En, o ja, jullie koken om de beurt voor mij. In ruil daarvoor hoef je vanaf nu geen huur te betalen.

Louise keek me verbijsterd aan. Ik ging zelfverzekerd op haar bed liggen. Ze draaide haar barkruk naar me en spreidde opschepperig haar kleine voetjes ten toon op het bed.

- Mijn teennagels zijn rood.
- Het is ook de kleur van je hart.
- En van je maandverband.

Die vrouwelijke dingen. Daar had ik nou Louise voor. Jippie. Ik kon veel van haar leren.

- De huilerige ogen van Pinkie.
- De narcissen van Jan.
- Nee...

We hoorden de buitendeur slaan. Liep Pinkie weg? Of kwam de kunstenmaker thuis? We keken elkaar aan en begonnen onbedaarlijk te lachen. Zoals alleen vrouwen dat samen kunnen.


voorjaar 2006, Jeanet van Omme
Schilderij van Karel Appel, Mannetje met de zon

Mijn Strandhuis (3)



vervolg
Mijn tweede bezoek

Het was zo'n kamertje dat je echt alleen maar in vakantiehuisjes vindt. Er stonden twee stalen stapelbedden, vergeeld zeil op de vloer, Tomado boekenrekje, een stoffige rieten lamp. Er lagen stapels dekens en kussens. Het rook er verschrikkelijk muf, alsof de kamer al jaren niet was gelucht. Het raam gaf uitzicht op het duin, dat zich direct achter het raam opwierp. Weinig te zien, alleen zand en gras. Op het onderste bed zat een klein mensje. Een klein, lelijk, onooglijk, onverzorgd mensje. Ze zat zachtjes te huilen, en toen ze in de gaten kreeg dat ik haar zag, zette ze het zelfs op een brullen.

Ik had meteen een enorme afkeer van haar. Bijna haat. Hetzelfde gevoel dat ik had toen ik de keuken zag. Gadverdamme. Weer iemand die zorg en aandacht vraagt. Weer zo'n underdog, die om hulp smeekt en begrip. Ik had helemaal geen zin in haar, maar ik ging uit beleefdheid toch maar even naast haar zitten op dat onderste bed. Haar helle lichtblauwe ogen volgden mijn bewegingen, ze kroop in de uiterste hoek van het bed.

- Ik doe niks, hoor, je hoeft echt niet bang te zijn. Misschien kan je even stoppen met huilen, dan kunnen we een gesprek hebben?

Ik zei het zo vriendelijk mogelijk, maar dat bracht ik nauwelijks op. Nee, ik had genoeg mensen op schoot gehad, dit leeftijdsloze wezentje hoefde daar niet bij.

- Ik ga jou nou eens niet redden, voor de verandering. Ik schrok van mijn eigen stem.
- Als jij hier wilt blijven zitten, onzichtbaar voor de buitenwereld, in een stoffig vijftiger jaren kamertje, dan is dat jouw probleem en niet het mijne. En waarom maak je het hier niet wat gezelliger voor jezelf?

Ze knikte heftig nee, nee, nee. En ze kroop nog verder de hoek in. Ik kon niks met haar.

- Ik ga nu even verder kijken. En hup, weg was ik.

Ik was eigenlijk helemaal niet zo'n harde tante, en daarom was ik verbijsterd over mezelf. Zo'n arm wicht, ik had het normaal onder mijn hoede genomen, zonder nadenken. Maar nu niet. Ik schudde mijn voeten los. Ik draaide mijn hoofd even in een cirkel op mijn romp. Ik haalde een paar diepe teugen adem. Zo.

Ik gluurde in het atelier, maar Appelman was er nog steeds niet. Even ging ik op zijn ribfluwelen stoel zitten. De narcissen genoten van de zon en gaven extra geel. Het fijne zand stoof in patronen over het strand. In de verte zag ik wat wandelaars, een hond. Ik had me nog nooit ergens zo thuisgevoeld. Maar niet wegzakken nu, hup, verder op onderzoek. Er was nog één kamer, recht tegenover de ingang van het atelier.

wordt vervolgd

zaterdag 8 maart 2008

Mijn Strandhuis (2)

vervolg
- Hallo.

Verrek, in de hoek zat een man een pijp te roken in een grote, gezellige ribfluwelen stoel. Een ouderwetse leeslamp bescheen zijn kalende schedel, alsof hij er al jaren zat. Hij leek een beetje op Karel Appel, vond ik. Extra raar, want Karel Appel was net dood.

Ik schudde mijn natte haren. Het was in ieder geval iemand die zich de wereld had toegeëigend. Zo iemand die niet twijfelde of hij ergens mocht zijn of niet. Zo anders dan ikzelf. Me teveel voelen. Niet opvallen. Ik was er kampioen in.

- Eh, hallo. Ik ging verlegen aan de tafel zitten. Ik zag dat er allerlei houtsnijwerk op tafel stond.

- Mooie kamer heeft u.
- Dank je.

Ik durfde hem niet meteen te zeggen dat ik de eigenaar was van dit strandhuis. Ik wist het zelf nog maar net. Bovendien zat hij erbij alsof hij veronderstelde zelf de eigenaar te zijn. Hoe kon hij ook anders weten? Rustig aan, eerst maar eens een praatje maken.

-Ik zie dat u hout snijdt. Dat wil ik ook leren.

Ik had eens een interview met Karel Appel op de televisie gezien. Hij had me een half uur lang weten te boeien, terwijl hij het had over alle nuances van de kleur rood. Het vereist een speciaal soort levenskracht om kunstenaar te zijn. En dat had hij. Eenvoud-van-zijn gekoppeld aan eenvoud-van-ambacht. Dat leerde ik van Karel Appel in die documentaire. Een verlangen had hij in mij aangewakkerd naar zo'n zelfde monomaan, geobsedeerd, getalenteerd kunstenaarsleven. En dat verlangen bulderde nu weer in me, zoals de Noordzee buiten van zich liet horen.

De man zweeg intussen, trok aan zijn pijp en keek naar buiten. Hij was niet met mij bezig, dat was duidelijk. Hij was het type dat gewend is met zijn handen te werken. Iemand die veel buiten is. Beetje slordig en niet volgens de laatste mode.

- Ik gebruik alleen hout dat ik vind op het strand.
- Ja, dat zie ik. Juttershout.
- Ja, juttershout.

Hij was ook niet bepaald spraakzaam.

- Ik ontvang niet graag bezoek. Het wordt me gauw te vol hier.

En al helemaal niet aardig of tactvol. Puh, wat dacht hij niet? Ik ging hier niet meer weg. Het was mijn huis. En het was mijn kamer. Het was mijn bestemming. Ik moest Karel alleen nog van zijn plaats zien te krijgen en dan was dit atelier van mij.

- Als je weer warm en droog bent, dan moet je maar gaan.
- Ja, natuurlijk.

En hup, weg was mijn stoere voornemen. Ik stond in de deuropening voor ik het wist. Waar was ik nou, met mijn Karel wegwerken? Ik liet me als een klein meisje de laan uit sturen.

- Kom nog eens terug als het mooier weer is, zei hij. En hij volgde mij op mijn weg naar buiten. Hoe bedoelde hij dat?

- Weet u wie de eigenaar is van dit huis? Tijd rekken, nu.
- Nee. Hoezo? Wil je het kopen? Nu moest ik het zeggen. Dit was mijn kans. Gewoon zeggen. Ophoepelen, Appel. Het is mijn huis.

- Nee. Nou…
- Het is niet te koop, hoor. Ik woon hier al 45 jaar. Ik ben niet van plan daar verandering in te brengen. Ik ga hier dood of nergens. En nu ga ik strandjutten, dus…
- O.

Ik wist niets beters te zeggen. De man had de buitendeur al geopend, de wind rukte de deur bijna uit zijn handen. Terwijl ik me in mijn natte regenpak stond te hijsen, hoorde ik geluiden in het huis, die ik niet zo gauw kon thuisbrengen. Was er iemand aan het huilen? Aan het bellen? Ik deed zo lang als ik kon over mijn laarzen. Er woonden hier meer mensen, dat was nu zeker. Vraag het hem. Kom op, mens, het is jouw huis.

- Ga maar gauw.
- Dag.

Ik moest mijn buik inhouden om me langs hem te manoevreren. Langs het duin, het grote strand op. Ik keek niet meer om. Overbewust van mezelf balde ik mijn vuisten in mijn zak en kneep de schelpen fijn. Ik leek wel gek dat ik me als eigenaar domweg had laten wegsturen. Wat dacht die Appelman wel met zijn pijp en zijn tuttige ribfluwelen stoel en die hysterische narcissen en zijn Duitse houtsnijwerk? Wannabe artiest.

Ik had met mijn vuist op de tafel moeten slaan en moeten zeggen wie ik was.

Ooit had ik eens gelezen dat het gaat stormen, als een grote ziel sterft. Stormde het zo, omdat de ziel van Karel Appel moest worden meegevoerd? Ga maar, Karel. Je hebt genoeg aan de wereld gegeven en laten zien. Geef het stokje door aan anderen.

Zodra de zon scheen, zou ik terug gaan. Wat een erfenis, zeg. Ik schopte een stuk hout, terug de zee in.

wordt vervolgd

donderdag 6 maart 2008

Mijn Strandhuis (1)

Mijn eerste bezoek

Vast van plan orde op zaken te stellen in mijn pas verworven strandhuis, liep ik langs de bulderende Noordzee. Het regende pijpenstelen, het water sloeg kou in mijn gezicht. Eindelijk ging ik mijn nieuwe huis bekijken, het huis waarvan ik eigenaar was geworden. Wat een geluksvogel was ik! Een huis aan het strand, met uitzicht op zee.

In de verte brandden lichtjes. Daar moest het zijn. Het huis zag er uit als een grote witte strandtent. Ik zag drie grote ramen met uitzicht op het strand en de zee. Ik rende er naar toe en drukte mijn neus op de natte ruit. Het zag er zeer uitnodigend uit. In alle jaargetijden, op alle tijdstippen van de dag moest deze kamer een fantastisch uitzicht geven. Ik begon te huppelen, iets was ik jaren niet had gedaan. Mijn huis!

De ingang moest ik zoeken, die lag aan de achterkant. Het huis lag raar dicht tegen het hoge duin. Ik moest me langs het hoge duin naar de deur wurmen. Die was niet op slot en toen was ik binnen. De gang. Eerste indruk: veel hout. Een houten vloer, houten wanden, houten plafond. Gezellig donkerbruin. Smaakvol. Een gewei aan de muur. Wat aquarellen. Ik hing mijn natte jack op de kapstok (het gewei) en ik deed mijn laarzen uit.

Rechts zag ik de keuken, die keurig netjes was opgeruimd, alsof hij weinig werd gebruikt. Als ik maar niet in de keuken terecht komt, dacht ik meteen. (Wat me verbaasde, want ik houd van koken.) Gadverdamme, de hele dag cateren en zorgen, wat wil je drinken, koffie met iets erbij, de schijf van vijf, gezond moet het zijn en lekker en ook nog bij de tijd, nee, die verantwoordelijkheid, daar had ik nu eens helemaal geen zin in. Ze krijgen me met nog geen tien paarden de keuken in. Ik voelde me goed bij dat stellige voornemen.

Op sokken, wat een raar huiselijk gevoel gaf, werd ik als vanzelf naar de grote voorkamer gevoerd. Eerst moest ik naar die kamer met die drie grote ramen en dat uitzicht op het strand en de zee. In de deuropening, er zat geen deur in, bedenk ik me nu, stond ik stil. Het uitzicht was adembenemend. Alle kleuren grijs, gierend zand, regen. Door het slechte weer, scheen de kamer extra veilig. Een enorme ronde kachel. Grote collectie kunstboeken. Bij het raam stonden een paar vazen met grote bossen gele narcissen. Ik voelde me er meteen thuis. Het leek op een atelier. Ik had zin om op het oude Perzische kleed te gaan liggen en naar buiten te staren. Maar ik volgde mijn impuls niet meteen. Gelukkig maar.

Wordt vervolgd

donderdag 13 september 2007

Niet autobiografisch

Tijdens het opruimen stuik ik op iets wat ik schreef in 1991. Keurig uitgetypt. De enige zin die ik hieruit zou willen bewaren is: Woorden maken de dingen vaak erg rommelig. Dat vind ik een leuke zin. De rest kan worden weggegooid wat mij betreft. Maar omdat het tekstje zestien jaar lang geduldig heeft liggen wachten op publicatie, krijgt het een kans. (Ik heb trouwens helemaal nooit een relatie gehad met iemand uit Afghanistan.) Hupsakee.

"Ik heb eens een relatie gehad met een man uit Afghanistan. Hij sprak niet zo goed Nederlands en ik niet zo goed Arabisch. Eerst was dat geen probleem, ik bedoel, liefde is toch iets fysieks en lijkt zelfs soms makkelijker zonder woorden. Woorden maken de dingen vaak erg rommelig. Bovendien kan je nog opvallend veel duidelijk maken zonder enige tekst. We hielden dus van elkaar. Zonder ook maar een woord te spreken.
Maar toen begon ik ze te missen. Hij was echt wel dol op mij, maar het was een mij zonder woorden.
Ik wilde hem soms toeschreeuwen: 'Ik heb nog een kant die dol is op discussieren en argumenteren; dat is mijn woordkant!" Maar ik kon dat helemaal niet gebruiken, die woordkant, en het begon te voelen alsof er van mij gehouden werd om de verkeerde redenen. Omdat hij de helft van mij niet kende.
En toen, op een middag, we zaten te zwijgen aan de keukentafel, en ik keek naar hem en besefte dat ik zijn woordkant ook miste. Opeens leek de relatie helemaal onvolmaakt. Twee woordloze helften. De helft van een peer geplakt aan de helft van een appel. Ja, een zoete combinatie. Maar onmogelijk. Het werkt niet.
Ik heb het uitgemaakt. Dat kan je best duidelijk maken zonder woorden. Heel gemakkelijk zelfs. Hij was boos op me. In het Arabisch."

dinsdag 31 juli 2007

Originele details



Hij staat er nog. Hij zweeft niet boven de bomen. Hij is niet verdwenen. Nee, de Kip Kemphaan gedraagt zich vooralsnog als een trouw beestje. De oldtimer caravan staat sinds gisteren bij mijn vakantiehuisje, en alles is anders. Het bos is anders. De lucht is anders. Ik zelf ben de draad kwijt. Af en toe gluur ik vanuit het huisje, en dan ben ik steeds verbaasd dat het ding er nog staat. Oldtimer. Net als ik. Bouwjaar 1962. Met originele details, zo stond het wervend in de advertentie op Marktplaats.

Ik heb mezelf moedwillig een kater gedronken gisterenavond. Wat moest ik anders doen om de herinneringen die me van alle kanten beslopen, te bezweren? Dat ik in een oud fotoalbum was terechtgekomen, dat was nog tot daar aan toe. Maar dit fotoalbum leek wel tot leven te komen, herinneringen die ik allang begraven had, kronkelden zich weer omhoog als oude bleke maden uit een graftombe.

Ik doe een middagdutje met papa, om de Zuid-Franse hitte te ontvluchten. Daar zit de jerrycan. Toch? Hier slaapt mama. Toen zat daar een gordijn. Hier, onder de banken, heeft mama een voorraad verstopt van blikken soep, potten pindakaas en knakworstjes. Een boekenplankje met Wiplala van Annie M.G.Schmidt. Zie je wel. Een gebloemde slaapzak. Een blauwe zwembroek met witte visjes. Gasfles. De drank veegt alle herinneringen op een steeds overzichtelijker wordende hoop.

's Nachts spat de overzichtelijke hoop uiteen in duizenden kleine splinters. Fragmenten van beeld, kleur en geur. En dat allemaal omdat ik die kleine vertrouwde Kip Kemphaan weer was binnengestapt. De wereld van mijn kindertijd.

Kijk! Wat heeft de Kip Kemphaan een schattige gordijntjes. Het geel doet pijn aan mijn ogen. Dat heb je soms met originele details.